‘Niet van brood alleen zult gij leven’ Matteus 4:4
In de Verenigde Staten van Amerika kennen de meeste mensen een 'oud verhaal met een moraal'. Kort samengevat gaat het zo:
Op een dag kwam een grote vloedgolf over het land. In een klein stadje werd snel een evacuatie ingezet. Een man, de hoofdpersoon van het verhaal, zat op zijn veranda. Een vriend reed voorbij in zijn auto en vroeg hem gauw achterop te springen om te vluchten voor de golf. De man weigerde onder het motto: ‘ik heb geloof. God zal me redden’.
Even later trok een konvooi van het leger voorbij, en ook door hen werd de man uitgenodigd om in te stappen en weg te trekken. Echter ook nu antwoorden de man: ‘ik heb geloof. God zal me redden’.
Inmiddels was het water al sterk gestegen. De man moest op de tweede verdieping van zijn huis gaan zitten om niet te verdrinken. Een reddingsloep kwam voorbij. Ook hier het verzoek in de boot te springen en in veiligheid te komen. De man stelde echter opnieuw; ‘ik heb geloof. God zal me redden’.
Tenslotte was het water zo hoog gestegen dat de man op het dak van zijn huis moest gaan zitten. Er kwam een reddingshelicopter die een ladder uitgooide ter redding. De man antwoorden: ‘ik heb geloof. God zal me redden’. Uiteindelijk verdronk hij.
Toen de man in de hemel aankwam bij de poort van de Heilige Petrus, stelde hij: ‘Ik had geloof! Waarom heeft God me laten verdrinken!?’. Sint Petrus antwoorde: ‘We stuurde je een auto, legerkonvooi, boot en een helikopter. Wat hadden we in Hemelsnaam nog meer moeten doen?’.
Veel katholieken wordt vaak verweten dat ze geloven in wonderen en mirakels. Ze geloven in het ‘bovennatuurlijke’. Persoonlijk houd ik niet zo van dat woord, omdat het een vals dualisme suggereert tussen ‘bovennatuurlijk’ en ‘natuurlijk’, waarbij de eerstgenoemde vaak als beter en meer verheven wordt gezien.
Paus Johannes Paulus II schreef uitvoerig over de theologie van het lichaam. Deze theologie is gegrondvest in het binnentreden van Christus in de wereld (‘Et Incarnatus Est’). Met dit binnentreden is de concrete historische realiteit en het vleselijke lichaam gezegend en heilig geworden. Zo stelt de Apostolische Geloofsbelijdenis dat we geloven ‘in de verrijzenis van het lichaam’. Daarmee brengen we tot uitdrukking niet te geloven in spoken. Ons bestaan in het leven hierna wordt een ‘lichamelijk bestaan’. Dat wil niet zeggen dat ons daadwerkelijke aardse lichaam zal voortbestaan, maar dat er wel een Hemels Lichaam zal zijn. Zoals een mot verandert in een vlinder; het lichaam sterft en herrijst en in een bepaalde zin wordt ons lichaam vervolmaakt. De katholieke verwijzing en nadruk op het lichaam komt ook tot uitdrukking in de katholieke erkenning van de Sacramenten. Concrete lichamelijke acties brengen ons geloof tot uitdrukking, de Eucharistie is een ‘lichamelijk-sensuele viering’ van de goedheid van de Schepper van Hemel en Aarde’.
Er is uiteindelijke een realiteit. De realiteit behoort God. In Gods ogen is er geen verschil tussen natuurlijk en bovennatuurlijk, omdat alle dingen voor God realiteit en dus natuurlijk zijn. In de Apostolische Geloofsbelijdenis spreken we uit dat God de ‘Schepper van al wat zichtbaar en onzichtbaar is’. Onzichtbaar is dus geenszins ‘minder natuurlijk’ dan hetgeen wat zichtbaar is. Alleen vanuit menselijk oogpunt.
Mensen zoeken God altijd in het concrete, in het ‘natuurlijke’ alvorens het te erkennen. Soms roepen mensen in hun frustratie weleens uit ‘waarom geneest God mijn zieke vrouw niet!’. Maar zou God dat niet in sommige gevallen bewerkstelligen via artsen of medicijnen die worden toegediend? God is dan de aanzet, de primaire oorzaak. Toch erkennen we alleen de secundaire causaliteit; de arts en diens geneesmiddelen. Dat brengt een bepaalde armoede met zich mee. Waarom niet verder durven te kijken, ontvankelijk zijn?
Een wat beperkend element in het ingrijpen van God is de vrije wil. God respecteert ten diepste onze menselijke vrijheid. Hij anticipeert wellicht wel op onze keuzes, maar stuurt ze niet. Vergelijk het met schaken; je anticipeert op de zetten van je tegenstander, zonder hem te sturen.
Ik denk dat God altijd via secundaire oorzaken werkt. Daardoor kunnen vrijwel alle zaken worden teruggeleidt tot simpele, natuurlijke oorzaken. Toch kan daar een bijzondere ‘laag’ over liggen. Toen mijn moeder na het overlijden van mijn opa een moeilijke tijd doormaakte en ook lichamelijke klachten vertoonde, ging ze een slepend ziekenhuistraject in. Op de morgen dat ze van de arts te horen kreeg dat het echter geen zeer ernstige ziekte was (wij vreesde voor kanker), hoorde we in de wachtkamer het nummer ‘Zo zal het zijn’ van Rob de Nijs; exact hetzelfde nummer als werd gedraaid tijdens de begrafenis van mijn opa! Dat is wel een groot ‘toeval’ met een bijzondere betekenis. Uiteraard geheel logisch terug te herleiden tot de muziekredacteur van het betreffende radiostation. Maar wie zegt dat het ‘Toeval’ niet via die muziekredacteur (de secundaire oorzaak) heeft doorgewerkt?
Hoe dan ook; mirakels en wonders zijn mijn inziens geen ‘bewijsstukken’ voor God. Geloof is vertrouwen op God, zelfs in moeilijke omstandigheden. Wonderen en mirakels zijn dan geen onverklaarbare fenomenen, maar tekens dat ons vertrouwen terecht en goedgeplaatst is. Wat iets een wonder of een mirakel maakt, is onze overtuiging dat God erachter zit; dat God iets wat ongetwijfeld (ooit) tot een natuurlijke oorzaak kan worden herleidt, in Hem is gestart. Want stelt ook niet de Bijbel dat Jezus zijn wonderen niet kan verrichten wanneer mensen voor Hem gesloten bleven, zich niet in geloof openstellen voor hem? Als je je openstelt, zie je wonderen. Een goede vriend die op het juiste moment langskomt, de baan die precies op het moment dat je het nodig had voorbijkwam of de ontdekking van je grote liefde op het moment dat je de hoop daarop had opgegeven...
Wonderen en mirakels bestaan, dankzij het geloof. En niet omgedraaid.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten