vrijdag 27 december 2013

C.S. Lewis – Mere Christianity, Boek 2

In het tweede deel van het boek Mere Christianity probeert C.S. Lewis een korte uiteenzetting te geven van wat christenen geloven. Daarbij begint hij met de vaststelling dat christenen niet geloven dat andere religies in het geheel ‘fout’ zijn. Volgens Lewis dragen alle religies een ‘hint van de waarheid’ in zich, maar wordt uiteindelijk het christelijke geloof door haar aanhangers als het meest volledig ‘waar’ beschouwd. Zij is het juiste antwoord op de vraag naar zingeving, alle andere religies uiteindelijk niet. Maar: “just as in a math problem, all answers that are not the correct answer are equally wrong, but some are closer to the true answer than others.“

Concepten van God
Lewis definieert twee groepen die in een God geloven. Enerzijds is er pantheïsme (Hindoes, New Age)  en anderzijds is er monotheïsme (Joden, moslims, christenen). Daarbij laat Lewis opmerkelijk genoeg het polytheïsme (Grieken, Romeinen, enkele dualistische stromingen) geheel buiten beschouwing. Daarom doe ik dat in deze boekbespreking verder ook.

Wat volgens Lewis het verschil is tussen pantheïsme en monotheïsme is dat pantheïsten minder scherp het verschil tussen ‘goed’ en ‘slecht’ maken en God onderdeel van de schepping laten zijn. Aanhangers van het monotheïsme maken het verschil tussen goed en fout veel scherper en laten God buiten de schepping vallen als een soort van schilder die veel van zichzelf in de schepping stopt, maar er zelf wel buiten blijft. Logisch dat vanuit dat onderscheid de groep ‘verwaterde christenen’ het er van Lewis flink van langs krijgen. Zij zijn weliswaar monotheïstisch, maar maken net als pantheïsten geen scherp onderscheid meer tussen goed en fout. Ze geloven in een goede God die alles goed vindt en doctrines over zonde, hel, kwaad en verlossing angstvallig mijden. Net als het atheïsme noemt Lewis dit “simple boys’ philosophies”. Hij verwerpt al deze eenvoudige theorieën omdat de waarheid nu eenmaal niet simpel is: “real things are not simple”. Mensen moeten de volwassen christelijke doctrine met al haar mitsen, maren en nuances leren kennen. Helaas klagen veel mensen dan echter dat dit alles “makes their heads turn round and that it is all too complicated and that if there really were a God they are sure He would have made ‘religion’ simple, because simplicity is beautiful, etc.” Lewis waarschuwt ons voor dergelijke mensen “for they will change their ground every minute and only waste your time.”

Tenslotte stipt Lewis ook de grote groep die niet in God geloofd aan. Atheïsten geloven dat alle religies fout zijn met betrekking tot God en waarheid omdat er geen Godheid bestaat. Veelal noemen zij volgens Lewis het universum ‘wreed’, ‘fout’ en ‘slecht’. Dat is opvallend, omdat dit toch een ietwat vaststaande morele standaard impliceert. In zijn omgang met het atheïsme put Lewis duidelijk uit zijn eigen ervaring uit de tijd dat hij niet geloofde en het christendom verwierp.


Probleem van kwaad

Lewis stelt dat het christendom geen dualistische religie is die gelooft in een tweestrijd tussen goed en kwaad op gelijke voet. Eerder gelooft het christendom in een goede wereld die zich kwaad kan ontwikkelen. Daarbij komt kwaad volgens christenen voort uit geperverteerd goed. Seksualiteit is goed, seksuele deviaties zijn kwaad. Opkomen voor jezelf is goed, egoïsme is fout. Maar waarom laat een goede en almachtige God kwaad toe? Het antwoord van Lewis hierop is duidelijk geïnspireerd door zijn eerdere werk The problem of pain. Het begrip vrije wil neemt daarbij een cruciale rol in. Hoe ‘hoger’ een schepsel in de scheppingsorde staat, hoe nadrukkelijker het vanuit de vrije wil tot zowel immens grote als intens slechte handelingen in staat is. Vergelijk koe, hond en mens maar eens vanuit die overtuiging. Een uitgebreide beschouwing over goed en kwaad en waarom God dat toestaat is in ditartikel over het boek The problem ofpain van C.S. Lewis te vinden.

De vergeving van zonde
Wanneer het bestaan van kwaad en zonde volledig tot ons doordringt, beseffen we de kern van het christendom pas ten volle. Jezus Christus is gekomen om ons te onderwijzen en weldoende rond te trekken, maar vooral ook om door zijn dood en verrijzenis de zonde van mensen te vergeven en de dood te overwinnen. Dát is de kern van het christendom: geloof in de persoon van Jezus die door zijn lijden, dood en verrijzenis ons weer in de juiste verhouding met God plaatst. Hij is als het ware de brug van de mens naar God. Hoe dat allemaal precies ‘werkt’ is theologie, maar vormt niet de kern van het christendom. De kern is dát het werkt, net zoals je niet hoeft te weten hoe het spijsverteringsstelsel werkt wanneer je met eten je honger stilt. God staat iedere keer weer voor ons open wanneer we spijt hebben over onze zonde. Daarbij lijken we niet zozeer op een ‘slecht wezen’ als wel op een rebel die de wapens van opstandigheid moet neerleggen. Dat proces noemen we bekering. We moeten als het ware een deel van onszelf laten ‘afsterven’. Opstandigheid zit in ieder mens en komt tot uiting in zaken zoals egoïsme en hebzucht. Bekering is een manier om ons vanuit die toestand weer tot God te wenden. Daar helpt God ons bij: “He lends us a little of His reasoning powers and that is how we think: He puts a little of His love into us and that is how we love one another.”

T
och is het eigenlijk vreemd dat we Gods hulp nodig hebben in zaken waar Hij in Zijn Wezen geen ervaring mee heeft. God kan zich niet overgeven, kan niet lijden, toegeven en sterven: “Nothing in God’s nature corresponds to this process at all.” Daarom is God mens geworden in Jezus van Nazareth. Op die manier kan Hij zich overgeven, kan Hij lijden én sterven. En dat alles kan Hij op een perfecte wijze volbrengen omdat Hij tevens God is. Dat betekent niet dat Hij geen pijn of lijden of sterven voelt. Hij voelt ze volledig als mens, maar kan ze perfect blijven dragen en tot een goed einde brengen omdat hij tevens God is.

Het christelijke leven
Omdat God in ons menselijk lijden en sterven heeft gedeeld, geloven christenen dat wij mogen delen in zijn Verrijzenis. Daarmee heeft Jezus een nieuw soort mens gecreëerd en is er met Hem een nieuw soort leven begonnen. Wij mogen delen in dat nieuwe leven door geloof, doop en de Heilige Communie. Over de details hoe christenen aan deze drie elementen invulling geven kan verschillend worden gedacht, maar de essentie ervan vormt de basis van de christelijke leer en doctrine.  Dat betekent natuurlijk niet dat geloof, doop en Heilige Communie onze pogingen om Christus te volgen vervangen. We hebben het nieuwe leven, maar we zijn verantwoordelijk voor de zorg ervan. Net zoals we het menselijk leven hebben, maar er wel voor moeten blijven zorgen dat het blijft leven. Daarbij gaat het in het christendom niet zozeer over het plezieren van God: “the Christian thinks any good he does comes from the Christ-life inside him. He does not think God will love us because we are good, but that God will make us good because He loves us; just as the roof of a greenhouse does not attract the sun because it is bright, but becomes bright because the sun shines on it.”

‘In Christus zijn’ is meer dan een levenshouding of imitatie van Jezus Christus. Christenen geloven “that Christ is actually operating through them; that the whole mass of Christians are the physical organism through which Christ acts-that we are His fingers and muscles, the cells of His body.” Daarom wellicht ook dat het nieuwe leven niet enkel een spirituele dimensie kent, maar ook een lichamelijke handeling in doop en Heilige Communie. God gebruikt ook lichamelijke zaken om ons te veranderen: “That is why He uses material things like bread and wine to put the new life into us. We may think this rather crude and unspiritual. God does not: He invented eating. He likes matter. He invented it.”

God is dus via Jezus Christus aanwezig tot het einde van de tijd. Uiteindelijk komt God immers terug om ‘alles één te maken’. Tot die tijd hebben we de vrije keuze om tot geloof in Hem te komen en zo ons leven tot volheid te laten komen. Dat kan enkel nu, niet wanneer God reeds is teruggekeerd. Want zoals Lewis droog opmerkt: There’s no point in choosing to join the winning side after the war is over!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten