In het eerste deel van het boek Mere Christianity probeert C.S. Lewis
een filosofisch fundament te leggen voor het bestaan van God. Daarbij is dit
deel als het ware een proloog op de eigenlijke titel van het boek, waarin de
kern van het christelijke geloof wordt behandeld. Dat God echter ook
filosofisch is te kennen, is zeker in de katholieke en Anglicaanse traditie
gemeengoed. God kan tot op een zeker hoogte via filosofische wegen worden
benaderd nog voor de theologie wordt aangehaald. Dat is dan ook precies wat
Lewis in dit onderdeel van Mere
Christianity probeert te doen.
Wet van de Menselijke Natuur
Lewis begint met het aanhalen van de ‘Wet van de Menselijke Natuur’. Onder die wetmatigheid verstaat hij verwachtingen omtrent ‘eerlijke spelen’ en ‘moraliteit’. Misschien bedoelt hij daarbij ook wel zoiets als onze discussies over normen en waarden. Mensen spreken elkaar wereldwijd op deze set ondefinieerbare ‘wetten’ aan en verwachten dat men zich eraan houdt. Het zijn wereldwijd erkende wetten, over culturele grenzen heen. Ondanks deze wereldwijde aanwezigheid verschilt de ‘Wet van de Menselijke natuur’ duidelijk van harde natuurwetten zoals de zwaartekracht. De ‘Wet van de Menselijke Natuur’ is er wel, maar hoeft niet opgevolgd te worden. Daarmee ontstaat een situatie waarin er sprake kan zijn van actueel gedrag (hoe mensen zich gedragen) enerzijds en de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ (hoe mensen zich zouden moeten gedragen) anderzijds. Tussen die twee zit niet zelden een grote discrepantie.
Lewis begint met het aanhalen van de ‘Wet van de Menselijke Natuur’. Onder die wetmatigheid verstaat hij verwachtingen omtrent ‘eerlijke spelen’ en ‘moraliteit’. Misschien bedoelt hij daarbij ook wel zoiets als onze discussies over normen en waarden. Mensen spreken elkaar wereldwijd op deze set ondefinieerbare ‘wetten’ aan en verwachten dat men zich eraan houdt. Het zijn wereldwijd erkende wetten, over culturele grenzen heen. Ondanks deze wereldwijde aanwezigheid verschilt de ‘Wet van de Menselijke natuur’ duidelijk van harde natuurwetten zoals de zwaartekracht. De ‘Wet van de Menselijke Natuur’ is er wel, maar hoeft niet opgevolgd te worden. Daarmee ontstaat een situatie waarin er sprake kan zijn van actueel gedrag (hoe mensen zich gedragen) enerzijds en de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ (hoe mensen zich zouden moeten gedragen) anderzijds. Tussen die twee zit niet zelden een grote discrepantie.
Terechte vraag is of ze daarmee wel
zo wetmatig zijn? Zijn het niet meer aangeleerde en vaak ook cultureel bepaalde
zaken? Lewis stelt dat dit niet zo is omdat bij vergelijking van culturele
fenomenen mensen altijd geneigd zijn om te denken in ‘beter’ en ‘slechter’, wat
een ingebouwde morele standaard verondersteld. Hetzelfde gebeurt in de
geschiedenis, wanneer we over slavernij en heksenvervolgingen afkeurend spreken.
Ook de breed gedragen Rechten van de Mens zijn een teken dat er een
wereldwijde ‘morele standaard’ lijkt te bestaan, hoezeer dergelijke aannames in
de hedendaagse cultuur van relativisme ook worden getemperd. Naast culturele aangeleerdheid is een ander bezwaar
tegen de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ dat het wellicht een natuurlijk
instinct is om het voortbestaan van het menselijk ras te garanderen (een
enigszins darwinistische benadering). Hiertegen treedt Lewis ferm op. Hij stelt
dat wanneer bijvoorbeeld ten bate van het ‘ras’ egoïsme zou moeten worden
bestreden, dat alsnog geen reden is waarom egoïsme verkeerd is. Een
individu kan namelijk de overtuiging hebben het niet zo interessant te vinden dat het ras moet
voortbestaan, zolang hij zélf maar gelukkig kan blijven bestaan. Wanneer op die
stelling wordt geantwoord dat dit niet kan omdat je niet zo egoïstisch mag
zijn, beland je in een cirkelredenering. Bovendien lijkt de ‘Wet van de
Menselijke Natuur’ niet vanuit het Darwinisme te worden verklaard omdat ze juist
een appel op mensen doet om niet te kiezen voor hun eigen belang en soms zelfs
het zwakkere instinct te laten heersen over het sterke. Denk aan het overwinnen
van moederliefde boven het biologisch meer logische eigenbelang en aan het onderdrukken
van agressieve of seksuele verlangens ten bate van het algemeen belang. Zo werkt Lewis een situatie uit waarin
er een bepaalde wetmatigheid ontstaat van wat gewenst gedrag is, maar waar
mensen niet aan gebonden zijn omdat ze vrij zijn anders te handelen. Zelf stelt Lewis hierover: “It
begins to look as if we shall have to admit that there is more than one kind of
reality; that, in this particular case, there is something above and beyond the
ordinary facts of men’s behavior, and yet quite definitely real – a real law,
which none of us made, but which we find pressing on us.”
Tenslotte, voordat we een kijken wat er dan achter deze wetmatigheid
steekt, een kort woord over moreel relativisme. Ook Lewis besteedt aan dit
fenomeen aandacht, zij het bescheiden. Wellicht dat hij in de jaren veertig van
de vorige eeuw niet kan overzien dat het juist deze levenshouding is die de
grootste schade toebrengt aan het christendom. Hij brengt tegen het moreel
relativisme drie argumenten in:
- Er is geen cultuur te vinden waar het weglopen in een gevecht of het
verraden van mensen die het meest aardig tegen je zijn geweest als acceptabel
dan wel goed wordt beschouwd. Je kunt veel relativeren wat betreft moraal, maar
dit staat aldus Lewis.
- Tegen relativisten die stellen dat je terugkijkend in het verleden
eigenlijk weinig consistentie kunt vinden wat betreft moraal, kijk bijvoorbeeld
naar veelwijverij zoals dat veel voorkwam en wat voor christenen toch moreel
verwerpelijke is, stelt Lewis: “Men have differed as to whether you should have
one wife or four. But they have always agreed that you
must not simply have any woman you want.”
- Tenslotte gebruikt Lewis als wapen tegen het relativisme het door henzelf
vaak gebruikte argument van utilisme: zonder morele normen die binden ontstaat
anarchie en chaos, is er geen houvast meer. Dit is deels wat Foucault enkele
jaren later onder deconstructie gaat verstaan: wanneer je alles relativeert,
vervalt uiteindelijk ook je eigen relativisme.
Verschil met Foucault is dat Lewis dat onwenselijk vindt. Lewis houdt de
stelling hoog dat er een vastliggende en buiten menselijke ingrijpen ingegeven
wetmatigheid bestaat. De vraag is echter wat (of wie?) er achter die
wetmatigheid schuilt.
Het bestaan van een God
Wanneer er een menselijke wetmatigheid betreffende moraal bestaat, roept dat de mensoude vraag naar de essentie van ons universum op. Op die vraag bestaan er al eeuwenlang twee dominante overtuigingen: de meer materialistische kijk en de religieuze kijk. De materialistische kijk stelt dat het universum er nu eenmaal is en altijd al is geweest, dat niemand daar de reden van kent en dat zaken veelal per toeval gebeuren. De andere overtuiging is dat er iets achter ons universum steekt dat gekend kan worden en een doel aan ons bestaan verleend. Deze religieuze kijk is mondiaal bezien de grootste, alhoewel we ons dat in het door het spiritueel materialisme gedomineerde Nederland wellicht niet altijd kunnen voorstellen. Wie van deze twee ‘waar’ is, is wetenschappelijk niet aan te tonen. God kan niet wetenschappelijk bewezen noch ontkend worden. Dat komt omdat veel van de zaken die bij religie komt kijken ver buiten onze te kennen fysische werkelijkheid lijkt te vallen. Er is in deze ogenschijnlijk hopeloze situatie, waarbij het vrijwel onmogelijk lijkt iets zinnigs te zeggen over religie en zingeving, een ding waar we ons aan vast kunnen houden en die we ook volop kunnen observeren én beleven: de mens zelf.
In de mens treffen we een algemeen levend gevoel van een morele wet aan,
die we zelf niet hebben opgesteld, niet kunnen vergeten en waarvan we vinden
dat we er aan moeten voldoen. Externe observatoren van de mens zouden deze
wetmatigheid wellicht niet eens opmerken, maar ze wordt wel degelijk beleefd.
Die beleving kan afkomstig zijn van God, die als Schepper geen onderdeel
uitmaakt van de schepping maar zich via beïnvloeding wel met de schepping kan
bemoeien. Wanneer er een wet bestaat die niet door mensen is gemaakt, kan er
logisch redenerend worden gesteld dat er eveneens een buiten de mensen liggende
wetgever bestaat. Daarmee is natuurlijk het christendom niet filosofisch
aangetoond, maar wel het bestaan van een Godheid aannemelijk gemaakt. Lewis
zegt hierover zelf: ‘All I have got to is a Something which is directing the
universe, and which appears in me as a law urging me to do right and making me
feel responsible and uncomfortable when I do wrong. I think we have to assume
it is more like a mind than it is like anything else we know – because after
all the only other thing we know is matter and you can hardly imagine a bit of
matter giving instructions.”
An Inconvenient truth
Wanneer we de bevindingen tot nu toe op
een rij zitten, ontstaat er een wat ongemakkelijke waarheid. We ontdekken dat
er een universum is die God heeft gemaakt. Deze God moet een groot artiest zijn
(zie de schoonheid van bijvoorbeeld de natuur), maar ook ogenschijnlijk
genadeloos en geen vriend van de mens (het universum zoals gemaakt kan erg
gevaarlijk zijn en vol met afschuwelijkheden). In deze setting vinden we
vervolgens een ‘Wet van de Menselijke Natuur’. In die wet vinden we meer
van God dan in het universum, net zoals je uit een gesprek meer leert over
iemand dan wanneer je naar zijn huis kijkt. Uit die wetmatigheid voor mensen
leren we dat God geïnteresseerd is in eerlijkheid, moed, integriteit en
waarheid. Maar de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ geeft ons geen grond om te
denken dat God goed is. Sterker nog: de wetten van de menselijke natuur zijn
hard en vragen veel van ons. Zoveel dat we in alle eerlijkheid moeten erkennen
dat we er nooit volledig aan kunnen voldoen als mensen. Wanneer de wetten van
een onpersoonlijke godheid zonder vergevingsgezindheid afkomstig zijn, hebben
we een probleem. Want deze macht is perfect goed en haat daarom alles dat
minder dan dat is. Het zal onze fouten daarom niet accepteren, terwijl niet
(altijd) perfect kunnen zijn. Lewis:
“If the universe is
not governed by an absolute goodness, then all our efforts are hopeless. But if
it is, then we are making ourselves enemies to that goodness every day, and are
not in the least likely to do any better tomorrow, and so our case is hopeless
again.” Daaruit volgt volgens Lewis een
nogal lastige situatie: “We cannot do without it, and we cannot do with it. God
is the only comfort, He is also the supreme terror: the thing we most need and
the thing we most want to hide from. He is our only possible ally, and we have
made ourselves His enemies.”
Na deze filosofische prelude gaat Lewis daadwerkelijk in op de essentie van
het christelijke geloof. Hij acht echter deze filosofische prelude noodzakelijk
om ons helder te laten nadenken over de latere fundamenten van het christendom
onder het motto: “Christianity simply does not make sense until you have faced
the sort of facts…”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten