maandag 23 december 2013

C.S. Lewis – The Problem of Pain

Als christelijke apologist heeft C.S. Lewis verschillende toegankelijke werken over de christelijke doctrine geschreven. Het boek The Problem of Pain is de eerste in de serie en werd in 1940 geschreven. Daarin beschouwt Lewis vanuit een theoretisch standpunt pijn en lijden. In deze blog een uitgebreide samenvatting. Daarbij maak ik sporadisch gebruik van enkele citaten uit het boek. Om zo dicht mogelijk bij de essentie ervan te blijven heb ik besloten ze niet te vertalen, maar in het Engels te laten staan.

Het bestaan van lijden in een wereld gecreëerd door een goede en almachtige God is een fundamenteel theologisch dilemma en wellicht wel de meest serieuze tegenwerping tegen het christendom. Het christendom legt immers bij uitstek de nadruk op Liefde als de essentie van God. Opvallend is dat die Liefde zijn essentie bereikt in zwaar lijden; het Mysterie van de Kruisdood van Jezus. Lewis benadert lastige vraagstuk van pijn en lijden met de bedoeling er enkele inzichten over te verstrekken, niet om het op te lossen.  Het probleem waar het boek over handelt vat hij als volgt samen:

"If God were good, He would make His creatures perfectly happy, and if He were almighty He would be able to do what he wished.  But the creatures are not happy.  Therefore God lacks either goodness, or power, or both."  

De basis van religie
Het probleem rondom pijn en lijden dus samen met de woorden ‘goed’ en ‘almachtig’. Om dat te benadrukken schetst Lewis een duister beeld van het menselijk leven, waarin overdadig veel ruimte lijkt voor kou, lijden en miserie. Toch lijkt de immense omvang van al het lijden veel mensen niet af te houden van een (al dan niet gespecificeerd) geloof in een goede Schepper. Dat lijkt nogal contradictoire. Waar komt dat geloof en dat verlangen vandaan? Lewis haalt daarvoor vier elementen aan.

Allereerst haalt Lewis een alom aanwezig religieus verlangen met de term ‘expercience of the Numinous’ aan. Dat is een Engelse uitdrukking waarmee de ondefinieerbare aanwezigheid van een Godheid wordt uitgedrukt; het gevoel dat er ‘Iets’ is. Dat gevoel komt duidelijk (maar niet enkel) naar voren in het aangezicht van de dood. Een tweede element dat wordt aangehaald is een algemeen aanwezige moraliteit onder mensen; het gevoel dat sommige dingen ‘horen’ (naastenliefde, zorgen voor elkaar, orde) en andere dingen ‘niet horen’ (verkrachting, martelen, moord). Dit ongeacht de culturele achtergrond van mensen. Daarmee zijn deze twee elementen niet uniek voor het christendom en komen ze in vrijwel alle religieuze stromingen naar voren, ook bij religieuze tradities die niet monistisch zijn. Zie bijvoorbeeld het boeddhisme. Wat monistische religies wél uitzonderlijk maakt is dat zij het meest nadrukkelijk de ‘experience of the Numinous’ koppelen aan het algemeen gedeelde morele besef. God heeft het moraal geschapen en is ook de hoeder van dat moraal, een overtuiging die Joden het allereerste hebben uitgesproken. Overigens is het juist deze overtuiging die veel mensen tegenwoordig niet meer delen. Een God zal wel bestaan (althans: ‘Iets’), maar diegene zal zich toch niet druk maken om mijn doen en laten? Een vierde stap in religieuze beleving die eigenlijk alleen christenen maken is de overtuiging dat de God die wordt ervaren en tevens de hoeder van morele waarden is concreet zichtbaar wordt in een Mens, namelijk Jezus Christus. Die claim is zo groots en veelomvattend dat, sprekende met de woorden van G.K. Chesterton, ook C.S. Lewis stelt dat die Jezus dan óf daadwerkelijk God is óf een volledige gek. Een duidelijke keuze die door christenen in het voordeel van optie 1 wordt beslecht.

Is God Almachtig?
Na deze uiteenzetting over de grond van religie en in het bijzonder het christendom gaat Lewis in op de openstaande vragen hoe een goede en almachtige God lijden kan laten bestaan. Hij begint met de vraag naar de Almacht van God. Wat betekent ‘God Almachtig’ eigenlijk? Kan God doen wat hij wil? Lewis beantwoordt die vraag met ‘ja, met uitzondering van hetgeen intrinsiek onmogelijk is’. Je mag God wel mysteries toeschrijven, maar geen onzin. Wanneer God het ene besluit neemt, kan hij niet meer een besluit dat daar radicaal tegenin gaat óók nemen omdat Hij nu eenmaal ‘almachtig’ is.

Om verder door te dringen in de almacht van God werkt C.S. Lewis in zijn boek een universum uit van geschapen mensen die in vrijheid met elkaar kunnen omgaan. Uit die omgang volgen ook situaties waarin keuzes gemaakt worden, waarbij de ene keuze beter is dan de andere.  Sterker nog: mensen kunnen er in vrijheid ook voor kiezen elkaar grotesk lijden aan te doen. Een Almachtige God kan daarop ingrijpen (wij zouden dat dan duiden als een wonder), maar dat doet God niet voortdurend. Wanneer God immers bij voortduring alle zaken corrigeert wordt de menselijke vrijheid betekenisloos. Zij blijft dan immers altijd zonder gevolg.  Zoals Lewis stelt:
"Try to exclude the possibility of suffering which the order of nature and the existence of free-wills involve, and you will find that you have excluded life itself". 

God geeft dus de vrijheid aan mensen zonder zijn almacht op te geven. Omwille van de menselijke vrijheid wendt hij die echter slechts sporadisch aan om onze keuzes ook inhoud en betekenis te geven. Daarmee lijken het lijden enerzijds en Gods Almacht anderzijds in harmonie met elkaar samen te leven. Maar Gods goedheid is daarmee nog niet behandeld…

Is God goed?
Allereerst is het goed om te benadrukken dat Gods Liefde waarschijnlijk anders is dan die van ons. De beide percepties zijn echter niet zó anders dat ze tegenovergestelde zijn zoals wit en zwart. Eerder is onze ‘goed’ als die van een cirkel zoals voor het eerst door een kind getekend. Gods ‘goed’ is een perfecte cirkel. De twee vormen lijken behoorlijk op elkaar, maar de een is meer perfect dan de ander. Na deze vaststelling vervolgt Lewis zijn betoog door de diepere betekenis van ‘goed’ te doorgronden. Met goed en ook liefde bedoelen wij mensen (zeker in deze tijd!) meestal ‘aardig’. Wij zijn vooral op zoek naar een God die ons enkel gelukkig wil zien. Daarmee zoeken we niet zozeer een ‘God de Vader’ maar een ‘God de Grootvader’, die zittend vanuit een luie stoel zijn (klein)kinderen vooral gelukkig en blij wil zien op de zondagmiddag. Lewis stelt echter dat goed en liefde meer zijn dan aardig. Bij ‘aardig’ gaat het erom dat iemand gelukkig is, los van de vraag of iemand ‘goed’ of ‘slecht’ is. Bij Goddelijke Liefde zijn wij echter objecten van ware liefde. Lewis haalt om dat uit te drukken veel Bijbelcitaten/-verhalen aan. Ook gebruikt hij veel parabels; Gods Liefde is als die van een bouwer voor zijn object, maar dan nóg meer. Of als een mens voor zijn dier, maar dan nóg sterker. En zelfs als die van een moeder voor haar kind, maar dan nóg sterker. Bij iedere vergelijking van Lewis sta je verbaasd over de diepte van Gods Liefde. Dat gaat zo ver dat je soms zou wensen dat de Liefde van God niet zó veelomvattend zou zijn. Zeker niet omdat we ons in ootmoed realiseren dat de mens zondig is. Het probleem van deze tijd, zo stelt Lewis al in 1940, is dat we dát besef van zondigheid allereerst moeten prediken alvorens Gods Liefde als groots te kunnen presenteren. Enigszins droog stelt hij: , "Christianity now has to preach the diagnosis — in itself a very bad news — before it can win the hearing for the cure." Zeker tegenwoordig lijkt alles ondergeschikt te worden gemaakt aan ‘aardigheid’ en ‘individuele vrijheid’. Dat zijn bij uitstek twee begrippen die enig besef van menselijke zwakheid bagatelliseren. Als we maar aardig voor elkaar blijven en bovendien ons niet teveel met elkaar bemoeien, dan zal het toch wel goed zijn? Die houding is in zichzelf een bron van lijden waar God zich richting ons toe moet verhouden. Maar ook dat levert weer een contradictie op. God heeft ons toch zelf geschapen? Heeft Hij ons dan ‘slecht’ geschapen?

Is God goed?
God heeft zijn schepsels als goed geschapen, zo luidt de katholieke doctrine. Door het misbruiken van vrijheid is de zonde echter in de wereld gekomen. Dat staat ook wel bekend als ‘erfzonde’. Die doctrine is volledig vreemd aan de hedendaagse publieke opinie.  Lewis maakt hem toegankelijk door de schepping als een perfecte dans te presenteren, waarbij de dansers soms fouten maken die echter door dezelfde schepper van de dans weer worden gecorrigeerd en zelfs ten goede gekeerd: "The world is a dance in which good, descending from God, is disturbed by evil arising from the creatures, and the resulting conflict is resolved by God's own assumption of the suffering nature which evil produces”.  Daarmee zijn we misschien niet zozeer imperfecte wezens die verbetering behoeven, maar vooral opstandige rebellen die de wapens tegen God moeten neerleggen:” "We are not merely imperfect creatures that need improvement: we are rebels that need lay down their arms". En het opnemen van de wapens, dát zit uiteindelijk in ieder mens en noemen we de erfzonde.

De reden van pijn
We hebben gezien dat pijn inherent is aan een stabiel en betekenisvol universum. God verhoudt zich tot dit universum op een Goede manier, namelijk in totaal respect voor de menselijke vrijheid. Lewis stelt: "In the fallen and partially redeemed universe we may distinguish (1) the simple good descending from God, (2) the simple evil produced by rebellious creatures, and (3) the exploitation of that evil by God for His redemptive purpose, which produces (4) the complex good to which accepted suffering and repented sin contribute.  […] A merciful man aims at his neighbour's good as so does 'God's' will, consciously co-operating with 'the simple good'. Gods wil doen is het beste wat een mens kan doen; zich overgeven aan zijn Schepper. Helaas gebeurt dat niet altijd. Vanuit die optiek is pijn, op het laagste niveau gemeten, een manier om de illusie te doen verdwijnen dat alles goed is. Pijn is "the flag of truth within the fortress of a rebel soul".  Zonde en stommigheden kunnen eeuwig worden ontlopen, maar pijn is niet te negeren. Op een iets hoger niveau fungeert pijn ook als middel om onze eigengerichtheid te doorbreken. In pijn en lijden wordt duidelijk dat we als mensen op elkaar zijn aangewezen en niet zonder de kracht en steun van de ander kunnen. Op het allerhoogste niveau veroorzaakt pijn een volledig op God vertrouwen en handelen op basis van bovennatuurlijke gronden.  Zodoende is de functie van pijn binnen het aardse systeem om de overgave van de mens aan Gods wil makkelijker te maken. Dat is echter géén rechtvaardiging voor pijn, zo verduidelijkt Lewis: : "Pain hurts.  That is what the word means.  I am only trying to show that the old Christian doctrine of being made perfect through suffering is not incredible.  To prove it palatable is beyond my design." Immers; pijn kan ook lijden tot verwijdering van God. 

Hemel en Hel
In zijn uiteenzetting over lijden eindigt Lewis met een korte behandeling van Hemel en hel. Voor hem is de hel een realiteit, maar niet op de manier zoals die in veel met name middeleeuwse afbeeldingen wordt verbeeld. De hel is geen omgeving waar mensen pijn lijden in onblusbaar vuur en waar een duivel ons achtervolgt met een harpoen. Eerder is de hel het niet bereiken van de uiteindelijke eindbestemming van ieder mens, namelijk de Hemel als volheid met God. Dat levensdoel uiteindelijk niet bereiken, door zonde en verwijdering van Gods bedoeling, is meer tergend dan de ergste verbeelding van de hel. Dat de hel bestaat is vanuit een scheppingsoogpunt logisch. God is liefde en reikt zich met al Zijn Goddelijkheid naar ons uit. Maar de vrije wil als gegeven aan de mens kan de mens in omgekeerde richting van Gods goedheid sturen. Zonder de hel als verbeelding van het ‘missen van de eindbestemming’ wordt de vrije keus een farce. Wanneer iedereen in de hemel komt is er geen goed en kwaad meer. Scherper gesteld: wanneer zowel Hitler als Moeder Theresa in de hemel arriveren, dan is dat moreel relativisme ten top. Toch doet het bestaan van de hel niets af van het feit dat we uiteindelijk voorbestemd zijn om in de Hemel te komen. "God will look to every soul like its first love because He is its first love". En ieder menselijke ziel is uniek: "Your place in heaven will seem to be made for you alone, because you were made for it." 

Theorie, geen praktijk
C.S. Lewis eindigt zijn boek uit 1940 met een eerlijke bekentenis die iedereen die theoretisch over pijn schrijft verschuldigd is, namelijk dat pijn ervaren iets anders is dan er over schrijven. Lewis bekent waarschijnlijk een grote lafaard te zijn in het ervaren van pijn. In 1961 (ruim 20 jaar na dit werk) schrijft hij het werk A Grief Observed. Dit werk gaat over zijn grote verdriet na het overlijden van zijn vrouw. Hij erkent in dat werk dat ook zijn geloof op de proef is gesteld door het lijden van zijn vrouw. Ook Lewis wilde in die tijd God belasteren, zijn bestaan betwijfelen en zelfs aan Zijn goedheid twijfelen. De verstandelijke argumenten waarom pijn moet bestaan worden voor een aangetast lichaam en ziel irrelevant. Toch kwam het verstand langzaam weer terug: "Why do I make room in my mind for such filth and nonsense? Do I hope that if feeling disguises itself as thought I shall feel less?" Met die praktische ervaring van Lewis wordt eens te meer duidelijk dat pijn een probleem is en blijft. Het is zelfs een mysterie dat we nooit zullen doorgronden. Toch, vanuit christelijk perspectief, kunnen we pijn niet los zien van het Heilsmysterie aan het kruis. We mogen over het lijden heen kijken en hopen op een uiteindelijke vervulling van onszelf in God in de Hemel.        

Geen opmerkingen:

Een reactie posten