Een vraag die me als historicus en gelovig persoon blijft bezig houden is de relatie tussen de historische en daarmee wetenschappelijk te definiëren persoon Jezus van Nazareth enerzijds en de theologische en gelovig beleden Jezus Christus anderzijds. Over dit (zogenaamde) conflict zijn boekenkasten volgeschreven, met de meest extreme en vertroebelende thesis en overtuigingen. In deze column wil ik een blik op de kwestie werpen, zonder daarbij enig nieuw inzicht (waartoe ik geenszin de pretentie noch de specifieke kwaliteiten voor bezit) toe te voegen.
Een interessant werk over deze kwestie, een werk waar ik veel aan heb gehad, is Jezus, het verhaal van een levende van de dominicaan en Nijmeegse hoogleraar Edward Schillebeeckx. Ondanks de gedateerdheid van het werk en in het volle besef dat er hernieuwde en aangescherpte studies zijn verschenen, vind ik enkele tendensen uit dit werk inzake de historische en theologische Jezus blijvend interessant. Daarbij teken ik volledigheidshalve aan dat ik met enkele andere (theologische) opvattingen van Schillebeeckx veel minder heb tot ronduit verwerp. Dat gegeven mag echter niet verhinderen dat er in zijn boek diverse interessante punten worden aangestipt.
Schillebeeckx begint met de mijn inziens terechte constatering dat beide Jezusbeelden niet zonder elkaar kunnen. Jezus is een concreet persoon geweest die in deze aardse werkelijkheid is geweest ('binnengetreden', zoals het credo belijdt: Et Incarnatus Est). Dat maakt de historische Jezus traceerbaar en waarneembaar voor de mens. Anders gezegd: via de historische criteria en haar vangnetten kunnen we een historisch werkelijke Jezus achterhalen. Deze historische Jezus is een absolute vereiste voor het christelijke geloof. We geloven uiteindelijk namelijk in een Jezus die gekend en waargenomen is, niet in een geest of verzinsel. Anders gesteld: zonder een historische Jezus is het christelijk geloof een ideologie, een idee. Dat betekent echter nadrukkelijk niet dat het historisch Jezusbeeld de enige dimensie is van Jezus. De historische wetenschap kent immers haar begrenzing, dat zal iedere historicus beamen. Grote delen van de historische werkelijkheid worden in de vergetelheid van het verleden achtergelaten omdat ze met ons beperkt historisch materiaal niet volledig achterhaald kunnen worden. Om het scherp uit te drukken: zelfs van personen waarvan een stortvloed aan historisch materiaal zoals foto's, films en geschriften bestaan (denk bijvoorbeeld aan van de meest bestudeerde mensen uit de recente geschiedenis, Adolf Hitler), zelfs van hen kunnen we niet de volledige historische werkelijkheid vatten en blijven elementen achter in het verleden. Dat maakt dus automatisch dat de historische Jezus begrensd is. We weten niet alles. Daarbovenop komt ook nog eens dat het niet tot de competentie van de historicus behoort om te kunnen vaststellen of er heilshandelen aanwezig is in de concrete historische figuur Jezus. Dat is ook wat emeritus-paus Benedictus XVI in zijn eerste Jezusboek treffend aanhaald. De heilsgebeurtenis van de Verrijzenis van Jezus kan historisch niet uitgesloten worden, maar ze kan niet door historische maatstaven worden onderbouwd noch bewezen worden.
Het Nieuwe Testament
In de inleiding van deze column spreek ik van een 'zogenaamde tegenstelling' tussen een historische en een theologische Jezus, daarmee implicerend dat ik deze tegenstelling enigszins vals vind. Vals omdat het uiteindelijk over eenzelfde persoon gaat, waarbij beide disciplines een ander perspectief op de complexe en volle werkelijkheid werpen. Die mengeling van perspectieven komt het meest treffend naar voren in het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament geeft ons de meest directe en historisch meest verantwoorde toegang tot Jezus omdat het de weerslag is van de ervaring van de eerste christelijke gemeenten op een historische werkelijk. Deze historische werkelijkheid riep een disclosure-ervaring op: mensen zagen in deze concrete Jezus hun langverwachte heilsverwachting gerealiseerd. Dat verklaart ook de verschillende accenten die de auteurs in hun schriftelijk weerslag leggen: mensen geven een pluriforme respons op een complexe werkelijkheid. Zie bijvoorbeeld hoe Mattheus en Lucas nogal vrijelijk omspringen met het materiaal van Marcus, dat historisch ouder is. Dat komt deels omdat de drie synoptische evangelisten ieder een eigen 'publiek' bedienen: Lucas kent een meer Griekse inslag, terwijl Mattheus een sterker joodse achtergrond heeft. Dus zeker geen sola scriptura in de Bijbel. Sterker gesteld: biblicisme is onbijbels. Want ondanks het grote belang van het Nieuwe Testament als meest actuele en authentieke respons op de concrete Jezus (waarmee dus al een vermenging van historie en theologie begint), mogen we het niet als definitieve eindsrespons beschouwen. Dat is de reden dat de katholieke kerk hecht aan traditie en leergezag. In het heden van de geschiedenis moet telkens opnieuw een christologisch antwoord worden gegeven in relatie tot de contemporaine vragen. Verkondiging en theologie hebben een wat Schillebeeckx 'tijdindex' noemt. Ook wij die nú leven geven een respons op de in onze realiteit binnengetreden Jezus. Die reactie vraagt Jezus ook van ons in Lc. 9,20: 'En gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Bij ons antwoord op deze indringende vraag moeten wij ons verhouden tot de meest historisch verantwoorde bron in de vorm van het Nieuwe Testament, maar we mogen er niet door worden vastgehouden. De middeleeuwen riepen andere Jezusbeelden op dan de door Verlichting dan wel Romantiek gegeven christologische responsen. Dat is gedeeltelijk ook niet erg: wanneer we beslissend heil vinden in Jezus, dan is het vanzelfsprekend dat we onze concrete levensvragen en historische omstandigheden aan hem voorleggen. De katholieke verbeelding van Jezus van het Heilig Hart is niet direct Bijbels, maar geeft wel adequaat weer hoe groot de liefde van Christus is. Om dergelijk niet-Bijbelse uitgesproken beelden te rechtvaardigen moet wel een reeel facet uit het leven van Jezus zoals via de Schriften gekend in die richting wijzen. Anders bestaat het gevaar dat we van Jezus een tabula rasa maken, die we naar eigen goedvinden invullen. De Schrift dient dus als basis, omdat ze de historisch meest authentieke respons van gelovigen op Jezus is, maar in gelovige traditie en in gemeenschap met het Godsvolk mogen ook wij als gelovigen anno nú reageren op de historisch werkelijke Jezus.
Een interessant werk over deze kwestie, een werk waar ik veel aan heb gehad, is Jezus, het verhaal van een levende van de dominicaan en Nijmeegse hoogleraar Edward Schillebeeckx. Ondanks de gedateerdheid van het werk en in het volle besef dat er hernieuwde en aangescherpte studies zijn verschenen, vind ik enkele tendensen uit dit werk inzake de historische en theologische Jezus blijvend interessant. Daarbij teken ik volledigheidshalve aan dat ik met enkele andere (theologische) opvattingen van Schillebeeckx veel minder heb tot ronduit verwerp. Dat gegeven mag echter niet verhinderen dat er in zijn boek diverse interessante punten worden aangestipt.
Schillebeeckx begint met de mijn inziens terechte constatering dat beide Jezusbeelden niet zonder elkaar kunnen. Jezus is een concreet persoon geweest die in deze aardse werkelijkheid is geweest ('binnengetreden', zoals het credo belijdt: Et Incarnatus Est). Dat maakt de historische Jezus traceerbaar en waarneembaar voor de mens. Anders gezegd: via de historische criteria en haar vangnetten kunnen we een historisch werkelijke Jezus achterhalen. Deze historische Jezus is een absolute vereiste voor het christelijke geloof. We geloven uiteindelijk namelijk in een Jezus die gekend en waargenomen is, niet in een geest of verzinsel. Anders gesteld: zonder een historische Jezus is het christelijk geloof een ideologie, een idee. Dat betekent echter nadrukkelijk niet dat het historisch Jezusbeeld de enige dimensie is van Jezus. De historische wetenschap kent immers haar begrenzing, dat zal iedere historicus beamen. Grote delen van de historische werkelijkheid worden in de vergetelheid van het verleden achtergelaten omdat ze met ons beperkt historisch materiaal niet volledig achterhaald kunnen worden. Om het scherp uit te drukken: zelfs van personen waarvan een stortvloed aan historisch materiaal zoals foto's, films en geschriften bestaan (denk bijvoorbeeld aan van de meest bestudeerde mensen uit de recente geschiedenis, Adolf Hitler), zelfs van hen kunnen we niet de volledige historische werkelijkheid vatten en blijven elementen achter in het verleden. Dat maakt dus automatisch dat de historische Jezus begrensd is. We weten niet alles. Daarbovenop komt ook nog eens dat het niet tot de competentie van de historicus behoort om te kunnen vaststellen of er heilshandelen aanwezig is in de concrete historische figuur Jezus. Dat is ook wat emeritus-paus Benedictus XVI in zijn eerste Jezusboek treffend aanhaald. De heilsgebeurtenis van de Verrijzenis van Jezus kan historisch niet uitgesloten worden, maar ze kan niet door historische maatstaven worden onderbouwd noch bewezen worden.
Het Nieuwe Testament
In de inleiding van deze column spreek ik van een 'zogenaamde tegenstelling' tussen een historische en een theologische Jezus, daarmee implicerend dat ik deze tegenstelling enigszins vals vind. Vals omdat het uiteindelijk over eenzelfde persoon gaat, waarbij beide disciplines een ander perspectief op de complexe en volle werkelijkheid werpen. Die mengeling van perspectieven komt het meest treffend naar voren in het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament geeft ons de meest directe en historisch meest verantwoorde toegang tot Jezus omdat het de weerslag is van de ervaring van de eerste christelijke gemeenten op een historische werkelijk. Deze historische werkelijkheid riep een disclosure-ervaring op: mensen zagen in deze concrete Jezus hun langverwachte heilsverwachting gerealiseerd. Dat verklaart ook de verschillende accenten die de auteurs in hun schriftelijk weerslag leggen: mensen geven een pluriforme respons op een complexe werkelijkheid. Zie bijvoorbeeld hoe Mattheus en Lucas nogal vrijelijk omspringen met het materiaal van Marcus, dat historisch ouder is. Dat komt deels omdat de drie synoptische evangelisten ieder een eigen 'publiek' bedienen: Lucas kent een meer Griekse inslag, terwijl Mattheus een sterker joodse achtergrond heeft. Dus zeker geen sola scriptura in de Bijbel. Sterker gesteld: biblicisme is onbijbels. Want ondanks het grote belang van het Nieuwe Testament als meest actuele en authentieke respons op de concrete Jezus (waarmee dus al een vermenging van historie en theologie begint), mogen we het niet als definitieve eindsrespons beschouwen. Dat is de reden dat de katholieke kerk hecht aan traditie en leergezag. In het heden van de geschiedenis moet telkens opnieuw een christologisch antwoord worden gegeven in relatie tot de contemporaine vragen. Verkondiging en theologie hebben een wat Schillebeeckx 'tijdindex' noemt. Ook wij die nú leven geven een respons op de in onze realiteit binnengetreden Jezus. Die reactie vraagt Jezus ook van ons in Lc. 9,20: 'En gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Bij ons antwoord op deze indringende vraag moeten wij ons verhouden tot de meest historisch verantwoorde bron in de vorm van het Nieuwe Testament, maar we mogen er niet door worden vastgehouden. De middeleeuwen riepen andere Jezusbeelden op dan de door Verlichting dan wel Romantiek gegeven christologische responsen. Dat is gedeeltelijk ook niet erg: wanneer we beslissend heil vinden in Jezus, dan is het vanzelfsprekend dat we onze concrete levensvragen en historische omstandigheden aan hem voorleggen. De katholieke verbeelding van Jezus van het Heilig Hart is niet direct Bijbels, maar geeft wel adequaat weer hoe groot de liefde van Christus is. Om dergelijk niet-Bijbelse uitgesproken beelden te rechtvaardigen moet wel een reeel facet uit het leven van Jezus zoals via de Schriften gekend in die richting wijzen. Anders bestaat het gevaar dat we van Jezus een tabula rasa maken, die we naar eigen goedvinden invullen. De Schrift dient dus als basis, omdat ze de historisch meest authentieke respons van gelovigen op Jezus is, maar in gelovige traditie en in gemeenschap met het Godsvolk mogen ook wij als gelovigen anno nú reageren op de historisch werkelijke Jezus.
Jezus en de geschiedenis
Conclusie moet zijn dat historische studies naar Jezus uitermate belangrijk zijn omdat het geloof in Jezus een concrete, kenbare en aardse basis heeft. Ze kan echter nóóit de verificatie van het geloof zijn; ze kan de christelijke interpretaties slechts toelaten of openhouden. Een heilsfeit valt immers niet historisch objectief vast te stellen. Wel is het goed om te realiseren dat veel objectief bestudeerde historische bronnen mensen in kaart brengen die méér zien dan een gewoon mens genaamd Jezus, die dus een disclosure ervaring hebben en het verwachte heilshandelen in Jezus gerealiseerd ziet. Daarmee zijn beide Jezusbeelden veel sterker in elkaar overlopend dan wellicht in eerste instantie gedacht en verwacht.
Noot 1: Zoals aangegeven is veel van bovenstaande gebaseerd op de werken van de dominicaan Edward Schillebeeckx.
Zijn hoofdwerk, Jezus, het verhaal van een levende is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) te downloaden via deze link. De bovenstaande tekst is gebaseerd op de pagina's 1-64 van dit werk.
Zijn hoofdwerk, Jezus, het verhaal van een levende is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) te downloaden via deze link. De bovenstaande tekst is gebaseerd op de pagina's 1-64 van dit werk.
Noot 2: Komende tijd zal ik vaker een column publiceren bij het afronden van enkele hoofdstukken uit dit werk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten