zondag 24 november 2013

Christus Koning als profeet

Vandaag eindigt voor de Katholieke Kerk het kerkelijke jaar met het Hoogfeest van Christus Koning. Sinds de pauselijke encycliek Quas Primas (1925) van paus Pius XI wordt dit hoogfeest gevierd om te erkennen dat voor christenen Jezus uiteindelijk de Koning van alles is, de Alpha en Omega. Dat beeld van Jezus als Zoon van God en Koning van de Wereld heeft moeten rijpen. Daarom in deze blog een korte beschouwing hoe Christus Koning voor de mensen ooit begon als profeet.

In de tijd waarin Jezus met zijn publieke optreden begon was het ‘ambt’ van profeet vanuit de geschiedenis van het Joodse volk algemeen bekend. Een profeet was iemand met de Geest van God die fungeerde als diens ‘spreekbuis’. Logisch dat het optreden van Jezus door de mensen in eerste instantie werd geïnterpreteerd in vertrouwde historische begrippen. Daarom werd Jezus al zeer snel gezien als profeet. Op de vraag van Jezus wie de mensen zeggen dat Hij is wordt door de leerlingen geantwoord vanuit het bekende begrippenkader: Johannes de Doper, Elia en weer andere zeggen dat een van de oude profeten is opgestaan (Lc.9,18-21). Dezelfde antwoorden komen ook voor in Mc.6,14-15. En zelfs in het Evangelie volgens Johannes, een evangelie dat is overgeschilderd door een duidelijke christologie, wordt verwezen naar het profeetschap van Jezus: ‘dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen’ (Joh.6,14). Ondanks dat Jezus zich nooit daadwerkelijk met een eschatologische (eindtijdelijke) profeet identificeert, interpreteert Hij zijn zending en gedrag wel in termen gelijk aan die van de eindtijdelijke profetieën uit het Oude Testament. Dat komt onder andere duidelijk naar voren in Lc.,49-52, waarin Jezus spreekt over profeten die ten dood werden gebracht door het volk. Vanuit dit vertrouwde begrippenkader en in verwijzing naar de aankondiging door de profeten van een Man Gods ontstaat langzaam maar zeker het begrip dat Jezus niet de zoveelste profeet is, maar de vervulling van hetgeen de profeten hebben gezegd. Dat begint in de reeds aangehaalde Bijbelpassage waarin Jezus zijn leerlingen vraagt wie de mensen zeggen dat Hij is, om vervolgens meer concreet de vraag te stellen wie zij zeggen dat Hij is. ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’. Hierop antwoord Petrus met de woorden: ‘U bent de Messias van God’ (Lc.9,18-21). Daarmee wordt Jezus méér dan een profeet.

De uitwerking dat Jezus niet ‘zomaar’ een profeet is maar de vervulling van een grootse belofte gebeurt voornamelijk in het Evangelie van Johannes doordat de opbouw van het Evangelie sterke overeenkomsten heeft met het boek Exodus, waar het verhaal van Mozes wordt verteld. In het Evangelie van Johannes wordt Jezus namelijk voortdurend als antwoord op de door Mozes aangehaalde zaken gegeven. Zo vraagt Mozes ‘Laat mij Uw heerlijkheid zien’ (Ex.33,18), waarop Johannes stelt: ‘Wij hebben Zijn (Jezus) Glorie aanschouwd’ (Joh.1,14). Vervolgens wordt in Exodus gemeld: ‘Niemand heeft God ooit gezien of hij sterft’ (Ex.33,20). Johannes laat Jezus echter als de Zoon van God optreden wanneer wordt gesteld: ‘Niemand heeft God ooit gezien, maar de Eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft hem doen kennen’ (Joh.1,18). Verder stelt Johannes in verwijzing naar Exodus en de stenen tafelen met de wet dat de Wet weliswaar door Mozes werd gegeven, maar dat de genade en de waarheid afkomstig zijn van Jezus Christus. Jezus is dus méér dan Mozes. Opvallend is overigens hoe systematisch Johannes de vergelijking Mozes-Jezus, soms uiterst subtiel, in zijn Evangelie verwerkt. Zo wordt Jezus gelijk Mozes geroepen (vergelijk Ex.3 met Joh.1,29-24). Ook de wondermacht van Mozes waardoor de Nijl rood wordt van het bloed lijkt op het Kana-wonder dat Jezus verricht (zie Joh.2,1-11, waarbij het opvallend is dat Johannes het enige Evangelie is dat van het Kana-wonder melding maakt!). Mozes viert het allereerste pascha-feest (Ex.11-12), Jezus gaat naar Jeruzalem voor het definitieve paasfeest en verricht een tempelreiniging (Joh.2,13-16). En terwijl Mozes met het volk door de Rode Zee trekt (Ex.14) spreekt Jezus in Joh.3,1-5 met Nicodemus over de noodzakelijkheid ‘geboren te worden uit water en geest’. Toen het volk ‘geen brood en water’ meer had en bovendien geplaagd werd door giftige slangen maakte Mozes een bronzen slang, verhief ze en zette die op een paal, en iedereen die door een slang was gebeten maar naar de bronzen slang opkeek, bleef in leven (Num. 21,4-9). In verwijzing hiernaar stelt Johannes: ‘En deze mensenzoon moet omhooggeheven worden, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn’ (Joh. 3,14). Na de overtocht door de Rode Zee ontdekken Mozes en het godsvolk een waterbron (Ex. 15,22-25): in Joh. 4 horen we dan bij de ‘bron van levend water’ Jezus' gesprek met een samaritaanse vrouw. In Ex. 16 is er sprake van het manna-wonder: in Joh. 6 de wonderbare broodvermenigvuldiging en tevens Jezus' gesprek over het hemelse manna. In Joh. 10 en 11 zijn bovendien allerlei allusies te vinden op Mozes' opvolger Josuë, die het Godsvolk inderdaad in het beloofde land voerde. Vervolgens wordt Jezus nogmaals neergezet als de daadwerkelijke vervulling van Mozes omdat het Jezus is die het volk metterdaad het daadwerkelijke beloofde land binnenleidt ‘in de schoot van de Vader’ (Joh. 1,18), het rijk Gods. 

Het is treffend dat Johannes zijn Evangelie zo systematisch structureert langs de lijnen van Exodus en de gebeurtenissen rondom Mozes. Dat past bij het karakter van het Evangelie volgens Johannes. Waar de synoptische evangeliën meer historiserend en verhalend zijn, biedt Johannes een meer theologisch en christologische structuur. Daarin zijn de geboden historische feiten ingekaderd binnen een overstijgend interpreteren. Zo ook met de titel van profeet. Het feit dat Jezus en zijn omgeving Hem profetisch verstaan wordt nadrukkelijk erkend. Dat was immers de interpretatie van het zich ontwikkelende optreden van Jezus. Achteraf is aan dat optreden, wanneer het ‘traject’ is voltooid (met het lijden én zijn Verrijzenis als wetenschap), een hogere waardering gegeven en zijn de hoogheidstitels zoals in het Credo aanwezig en met Christus Koning gevierd toegevoegd. Om dát te verwoorden maakte Johannes nadrukkelijk gebruik van het raamwerk van de profeet Mozes uit het verhaal Exodus om over de vervulling daarvan in Jezus Christus als Zoon van God te verhalen. Zo ontwikkelde de aanvankelijke ‘profeet’ zich tot wat hij is: Christus Koning!

Noot 1: Veel van bovenstaande analyse is gebaseerd op de werken van de dominicaan Edward Schillebeeckx. Zijn hoofdwerk, Jezus, het verhaal van een levende is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) te downloaden via deze link. De bovenstaande tekst is gebaseerd op de pagina's 388-392 van dit werk.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten