vrijdag 27 december 2013

C.S. Lewis – Mere Christianity, Boek 2

In het tweede deel van het boek Mere Christianity probeert C.S. Lewis een korte uiteenzetting te geven van wat christenen geloven. Daarbij begint hij met de vaststelling dat christenen niet geloven dat andere religies in het geheel ‘fout’ zijn. Volgens Lewis dragen alle religies een ‘hint van de waarheid’ in zich, maar wordt uiteindelijk het christelijke geloof door haar aanhangers als het meest volledig ‘waar’ beschouwd. Zij is het juiste antwoord op de vraag naar zingeving, alle andere religies uiteindelijk niet. Maar: “just as in a math problem, all answers that are not the correct answer are equally wrong, but some are closer to the true answer than others.“

Concepten van God
Lewis definieert twee groepen die in een God geloven. Enerzijds is er pantheïsme (Hindoes, New Age)  en anderzijds is er monotheïsme (Joden, moslims, christenen). Daarbij laat Lewis opmerkelijk genoeg het polytheïsme (Grieken, Romeinen, enkele dualistische stromingen) geheel buiten beschouwing. Daarom doe ik dat in deze boekbespreking verder ook.

Wat volgens Lewis het verschil is tussen pantheïsme en monotheïsme is dat pantheïsten minder scherp het verschil tussen ‘goed’ en ‘slecht’ maken en God onderdeel van de schepping laten zijn. Aanhangers van het monotheïsme maken het verschil tussen goed en fout veel scherper en laten God buiten de schepping vallen als een soort van schilder die veel van zichzelf in de schepping stopt, maar er zelf wel buiten blijft. Logisch dat vanuit dat onderscheid de groep ‘verwaterde christenen’ het er van Lewis flink van langs krijgen. Zij zijn weliswaar monotheïstisch, maar maken net als pantheïsten geen scherp onderscheid meer tussen goed en fout. Ze geloven in een goede God die alles goed vindt en doctrines over zonde, hel, kwaad en verlossing angstvallig mijden. Net als het atheïsme noemt Lewis dit “simple boys’ philosophies”. Hij verwerpt al deze eenvoudige theorieën omdat de waarheid nu eenmaal niet simpel is: “real things are not simple”. Mensen moeten de volwassen christelijke doctrine met al haar mitsen, maren en nuances leren kennen. Helaas klagen veel mensen dan echter dat dit alles “makes their heads turn round and that it is all too complicated and that if there really were a God they are sure He would have made ‘religion’ simple, because simplicity is beautiful, etc.” Lewis waarschuwt ons voor dergelijke mensen “for they will change their ground every minute and only waste your time.”

Tenslotte stipt Lewis ook de grote groep die niet in God geloofd aan. Atheïsten geloven dat alle religies fout zijn met betrekking tot God en waarheid omdat er geen Godheid bestaat. Veelal noemen zij volgens Lewis het universum ‘wreed’, ‘fout’ en ‘slecht’. Dat is opvallend, omdat dit toch een ietwat vaststaande morele standaard impliceert. In zijn omgang met het atheïsme put Lewis duidelijk uit zijn eigen ervaring uit de tijd dat hij niet geloofde en het christendom verwierp.


Probleem van kwaad

Lewis stelt dat het christendom geen dualistische religie is die gelooft in een tweestrijd tussen goed en kwaad op gelijke voet. Eerder gelooft het christendom in een goede wereld die zich kwaad kan ontwikkelen. Daarbij komt kwaad volgens christenen voort uit geperverteerd goed. Seksualiteit is goed, seksuele deviaties zijn kwaad. Opkomen voor jezelf is goed, egoïsme is fout. Maar waarom laat een goede en almachtige God kwaad toe? Het antwoord van Lewis hierop is duidelijk geïnspireerd door zijn eerdere werk The problem of pain. Het begrip vrije wil neemt daarbij een cruciale rol in. Hoe ‘hoger’ een schepsel in de scheppingsorde staat, hoe nadrukkelijker het vanuit de vrije wil tot zowel immens grote als intens slechte handelingen in staat is. Vergelijk koe, hond en mens maar eens vanuit die overtuiging. Een uitgebreide beschouwing over goed en kwaad en waarom God dat toestaat is in ditartikel over het boek The problem ofpain van C.S. Lewis te vinden.

De vergeving van zonde
Wanneer het bestaan van kwaad en zonde volledig tot ons doordringt, beseffen we de kern van het christendom pas ten volle. Jezus Christus is gekomen om ons te onderwijzen en weldoende rond te trekken, maar vooral ook om door zijn dood en verrijzenis de zonde van mensen te vergeven en de dood te overwinnen. Dát is de kern van het christendom: geloof in de persoon van Jezus die door zijn lijden, dood en verrijzenis ons weer in de juiste verhouding met God plaatst. Hij is als het ware de brug van de mens naar God. Hoe dat allemaal precies ‘werkt’ is theologie, maar vormt niet de kern van het christendom. De kern is dát het werkt, net zoals je niet hoeft te weten hoe het spijsverteringsstelsel werkt wanneer je met eten je honger stilt. God staat iedere keer weer voor ons open wanneer we spijt hebben over onze zonde. Daarbij lijken we niet zozeer op een ‘slecht wezen’ als wel op een rebel die de wapens van opstandigheid moet neerleggen. Dat proces noemen we bekering. We moeten als het ware een deel van onszelf laten ‘afsterven’. Opstandigheid zit in ieder mens en komt tot uiting in zaken zoals egoïsme en hebzucht. Bekering is een manier om ons vanuit die toestand weer tot God te wenden. Daar helpt God ons bij: “He lends us a little of His reasoning powers and that is how we think: He puts a little of His love into us and that is how we love one another.”

T
och is het eigenlijk vreemd dat we Gods hulp nodig hebben in zaken waar Hij in Zijn Wezen geen ervaring mee heeft. God kan zich niet overgeven, kan niet lijden, toegeven en sterven: “Nothing in God’s nature corresponds to this process at all.” Daarom is God mens geworden in Jezus van Nazareth. Op die manier kan Hij zich overgeven, kan Hij lijden én sterven. En dat alles kan Hij op een perfecte wijze volbrengen omdat Hij tevens God is. Dat betekent niet dat Hij geen pijn of lijden of sterven voelt. Hij voelt ze volledig als mens, maar kan ze perfect blijven dragen en tot een goed einde brengen omdat hij tevens God is.

Het christelijke leven
Omdat God in ons menselijk lijden en sterven heeft gedeeld, geloven christenen dat wij mogen delen in zijn Verrijzenis. Daarmee heeft Jezus een nieuw soort mens gecreëerd en is er met Hem een nieuw soort leven begonnen. Wij mogen delen in dat nieuwe leven door geloof, doop en de Heilige Communie. Over de details hoe christenen aan deze drie elementen invulling geven kan verschillend worden gedacht, maar de essentie ervan vormt de basis van de christelijke leer en doctrine.  Dat betekent natuurlijk niet dat geloof, doop en Heilige Communie onze pogingen om Christus te volgen vervangen. We hebben het nieuwe leven, maar we zijn verantwoordelijk voor de zorg ervan. Net zoals we het menselijk leven hebben, maar er wel voor moeten blijven zorgen dat het blijft leven. Daarbij gaat het in het christendom niet zozeer over het plezieren van God: “the Christian thinks any good he does comes from the Christ-life inside him. He does not think God will love us because we are good, but that God will make us good because He loves us; just as the roof of a greenhouse does not attract the sun because it is bright, but becomes bright because the sun shines on it.”

‘In Christus zijn’ is meer dan een levenshouding of imitatie van Jezus Christus. Christenen geloven “that Christ is actually operating through them; that the whole mass of Christians are the physical organism through which Christ acts-that we are His fingers and muscles, the cells of His body.” Daarom wellicht ook dat het nieuwe leven niet enkel een spirituele dimensie kent, maar ook een lichamelijke handeling in doop en Heilige Communie. God gebruikt ook lichamelijke zaken om ons te veranderen: “That is why He uses material things like bread and wine to put the new life into us. We may think this rather crude and unspiritual. God does not: He invented eating. He likes matter. He invented it.”

God is dus via Jezus Christus aanwezig tot het einde van de tijd. Uiteindelijk komt God immers terug om ‘alles één te maken’. Tot die tijd hebben we de vrije keuze om tot geloof in Hem te komen en zo ons leven tot volheid te laten komen. Dat kan enkel nu, niet wanneer God reeds is teruggekeerd. Want zoals Lewis droog opmerkt: There’s no point in choosing to join the winning side after the war is over!

C.S. Lewis – Mere Christianity, Boek 1

In het eerste deel van het boek Mere Christianity probeert C.S. Lewis een filosofisch fundament te leggen voor het bestaan van God. Daarbij is dit deel als het ware een proloog op de eigenlijke titel van het boek, waarin de kern van het christelijke geloof wordt behandeld. Dat God echter ook filosofisch is te kennen, is zeker in de katholieke en Anglicaanse traditie gemeengoed. God kan tot op een zeker hoogte via filosofische wegen worden benaderd nog voor de theologie wordt aangehaald. Dat is dan ook precies wat Lewis in dit onderdeel van Mere Christianity probeert te doen.

Wet van de Menselijke Natuur       
Lewis begint met het aanhalen van de ‘Wet van de Menselijke Natuur’. Onder die wetmatigheid verstaat hij verwachtingen omtrent ‘eerlijke spelen’ en ‘moraliteit’. Misschien bedoelt hij daarbij ook wel zoiets als onze discussies over normen en waarden. Mensen spreken elkaar wereldwijd op deze set ondefinieerbare ‘wetten’ aan en verwachten dat men zich eraan houdt. Het zijn wereldwijd erkende wetten, over culturele grenzen heen. Ondanks deze wereldwijde aanwezigheid verschilt de ‘Wet van de Menselijke natuur’ duidelijk van harde natuurwetten zoals de zwaartekracht. De ‘Wet van de Menselijke Natuur’ is er wel, maar hoeft niet opgevolgd te worden. Daarmee ontstaat een situatie waarin er sprake kan zijn van actueel gedrag (hoe mensen zich gedragen) enerzijds en de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ (hoe mensen zich zouden moeten gedragen) anderzijds. Tussen die twee zit niet zelden een grote discrepantie.

Terechte vraag is of ze daarmee wel zo wetmatig zijn? Zijn het niet meer aangeleerde en vaak ook cultureel bepaalde zaken? Lewis stelt dat dit niet zo is omdat bij vergelijking van culturele fenomenen mensen altijd geneigd zijn om te denken in ‘beter’ en ‘slechter’, wat een ingebouwde morele standaard verondersteld. Hetzelfde gebeurt in de geschiedenis, wanneer we over slavernij en heksenvervolgingen afkeurend spreken. Ook de breed gedragen Rechten van de Mens zijn een teken dat er een wereldwijde ‘morele standaard’ lijkt te bestaan, hoezeer dergelijke aannames in de hedendaagse cultuur van relativisme ook worden getemperd. Naast culturele aangeleerdheid is een ander bezwaar tegen de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ dat het wellicht een natuurlijk instinct is om het voortbestaan van het menselijk ras te garanderen (een enigszins darwinistische benadering). Hiertegen treedt Lewis ferm op. Hij stelt dat wanneer bijvoorbeeld ten bate van het ‘ras’ egoïsme zou moeten worden bestreden, dat alsnog geen reden is waarom egoïsme verkeerd is. Een individu kan namelijk de overtuiging hebben het niet zo interessant te vinden dat het ras moet voortbestaan, zolang hij zélf maar gelukkig kan blijven bestaan. Wanneer op die stelling wordt geantwoord dat dit niet kan omdat je niet zo egoïstisch mag zijn, beland je in een cirkelredenering. Bovendien lijkt de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ niet vanuit het Darwinisme te worden verklaard omdat ze juist een appel op mensen doet om niet te kiezen voor hun eigen belang en soms zelfs het zwakkere instinct te laten heersen over het sterke. Denk aan het overwinnen van moederliefde boven het biologisch meer logische eigenbelang en aan het onderdrukken van agressieve of seksuele verlangens ten bate van het algemeen belang. Zo werkt Lewis een situatie uit waarin er een bepaalde wetmatigheid ontstaat van wat gewenst gedrag is, maar waar mensen niet aan gebonden zijn omdat ze vrij zijn anders te handelen. Zelf stelt Lewis hierover: “It begins to look as if we shall have to admit that there is more than one kind of reality; that, in this particular case, there is something above and beyond the ordinary facts of men’s behavior, and yet quite definitely real – a real law, which none of us made, but which we find pressing on us.”

Tenslotte, voordat we een kijken wat er dan achter deze wetmatigheid steekt, een kort woord over moreel relativisme. Ook Lewis besteedt aan dit fenomeen aandacht, zij het bescheiden. Wellicht dat hij in de jaren veertig van de vorige eeuw niet kan overzien dat het juist deze levenshouding is die de grootste schade toebrengt aan het christendom. Hij brengt tegen het moreel relativisme drie argumenten in:

- Er is geen cultuur te vinden waar het weglopen in een gevecht of het verraden van mensen die het meest aardig tegen je zijn geweest als acceptabel dan wel goed wordt beschouwd. Je kunt veel relativeren wat betreft moraal, maar dit staat aldus Lewis.

- Tegen relativisten die stellen dat je terugkijkend in het verleden eigenlijk weinig consistentie kunt vinden wat betreft moraal, kijk bijvoorbeeld naar veelwijverij zoals dat veel voorkwam en wat voor christenen toch moreel verwerpelijke is, stelt Lewis: “Men have differed as to whether you should have one wife or four. But they have always agreed that you must not simply have any woman you want.”

- Tenslotte gebruikt Lewis als wapen tegen het relativisme het door henzelf vaak gebruikte argument van utilisme: zonder morele normen die binden ontstaat anarchie en chaos, is er geen houvast meer. Dit is deels wat Foucault enkele jaren later onder deconstructie gaat verstaan: wanneer je alles relativeert, vervalt uiteindelijk ook je eigen relativisme.     

Verschil met Foucault is dat Lewis dat onwenselijk vindt. Lewis houdt de stelling hoog dat er een vastliggende en buiten menselijke ingrijpen ingegeven wetmatigheid bestaat. De vraag is echter wat (of wie?) er achter die wetmatigheid schuilt.

Het bestaan van een God   
Wanneer er een menselijke wetmatigheid betreffende moraal bestaat, roept dat de mensoude vraag naar de essentie van ons universum op. Op die vraag bestaan er al eeuwenlang twee dominante overtuigingen: de meer materialistische kijk en de religieuze kijk. De materialistische kijk stelt dat het universum er nu eenmaal is en altijd al is geweest, dat niemand daar de reden van kent en dat zaken veelal per toeval gebeuren. De andere overtuiging is dat er iets achter ons universum steekt dat gekend kan worden en een doel aan ons bestaan verleend. Deze religieuze kijk is mondiaal bezien de grootste, alhoewel we ons dat in het door het spiritueel materialisme gedomineerde Nederland wellicht niet altijd kunnen voorstellen. Wie van deze twee ‘waar’ is, is wetenschappelijk niet aan te tonen. God kan niet wetenschappelijk bewezen noch ontkend worden. Dat komt omdat veel van de zaken die bij religie komt kijken ver buiten onze te kennen fysische werkelijkheid lijkt te vallen. Er is in deze ogenschijnlijk hopeloze situatie, waarbij het vrijwel onmogelijk lijkt iets zinnigs te zeggen over religie en zingeving, een ding waar we ons aan vast kunnen houden en die we ook volop kunnen observeren én beleven: de mens zelf.

In de mens treffen we een algemeen levend gevoel van een morele wet aan, die we zelf niet hebben opgesteld, niet kunnen vergeten en waarvan we vinden dat we er aan moeten voldoen. Externe observatoren van de mens zouden deze wetmatigheid wellicht niet eens opmerken, maar ze wordt wel degelijk beleefd. Die beleving kan afkomstig zijn van God, die als Schepper geen onderdeel uitmaakt van de schepping maar zich via beïnvloeding wel met de schepping kan bemoeien. Wanneer er een wet bestaat die niet door mensen is gemaakt, kan er logisch redenerend worden gesteld dat er eveneens een buiten de mensen liggende wetgever bestaat. Daarmee is natuurlijk het christendom niet filosofisch aangetoond, maar wel het bestaan van een Godheid aannemelijk gemaakt. Lewis zegt hierover zelf: ‘All I have got to is a Something which is directing the universe, and which appears in me as a law urging me to do right and making me feel responsible and uncomfortable when I do wrong. I think we have to assume it is more like a mind than it is like anything else we know – because after all the only other thing we know is matter and you can hardly imagine a bit of matter giving instructions.”

An Inconvenient truth          
Wanneer we de bevindingen tot nu toe op een rij zitten, ontstaat er een wat ongemakkelijke waarheid. We ontdekken dat er een universum is die God heeft gemaakt. Deze God moet een groot artiest zijn (zie de schoonheid van bijvoorbeeld de natuur), maar ook ogenschijnlijk genadeloos en geen vriend van de mens (het universum zoals gemaakt kan erg gevaarlijk zijn en vol met afschuwelijkheden). In deze setting vinden we vervolgens een ‘Wet van de Menselijke Natuur’. In die wet vinden we meer van God dan in het universum, net zoals je uit een gesprek meer leert over iemand dan wanneer je naar zijn huis kijkt. Uit die wetmatigheid voor mensen leren we dat God geïnteresseerd is in eerlijkheid, moed, integriteit en waarheid. Maar de ‘Wet van de Menselijke Natuur’ geeft ons geen grond om te denken dat God goed is. Sterker nog: de wetten van de menselijke natuur zijn hard en vragen veel van ons. Zoveel dat we in alle eerlijkheid moeten erkennen dat we er nooit volledig aan kunnen voldoen als mensen. Wanneer de wetten van een onpersoonlijke godheid zonder vergevingsgezindheid afkomstig zijn, hebben we een probleem. Want deze macht is perfect goed en haat daarom alles dat minder dan dat is. Het zal onze fouten daarom niet accepteren, terwijl niet (altijd) perfect kunnen zijn. Lewis:  “If the universe is not governed by an absolute goodness, then all our efforts are hopeless. But if it is, then we are making ourselves enemies to that goodness every day, and are not in the least likely to do any better tomorrow, and so our case is hopeless again.”  Daaruit volgt volgens Lewis een nogal lastige situatie: “We cannot do without it, and we cannot do with it. God is the only comfort, He is also the supreme terror: the thing we most need and the thing we most want to hide from. He is our only possible ally, and we have made ourselves His enemies.”

Na deze filosofische prelude gaat Lewis daadwerkelijk in op de essentie van het christelijke geloof. Hij acht echter deze filosofische prelude noodzakelijk om ons helder te laten nadenken over de latere fundamenten van het christendom onder het motto: “Christianity simply does not make sense until you have faced the sort of facts…” 

maandag 23 december 2013

C.S. Lewis – The Problem of Pain

Als christelijke apologist heeft C.S. Lewis verschillende toegankelijke werken over de christelijke doctrine geschreven. Het boek The Problem of Pain is de eerste in de serie en werd in 1940 geschreven. Daarin beschouwt Lewis vanuit een theoretisch standpunt pijn en lijden. In deze blog een uitgebreide samenvatting. Daarbij maak ik sporadisch gebruik van enkele citaten uit het boek. Om zo dicht mogelijk bij de essentie ervan te blijven heb ik besloten ze niet te vertalen, maar in het Engels te laten staan.

Het bestaan van lijden in een wereld gecreëerd door een goede en almachtige God is een fundamenteel theologisch dilemma en wellicht wel de meest serieuze tegenwerping tegen het christendom. Het christendom legt immers bij uitstek de nadruk op Liefde als de essentie van God. Opvallend is dat die Liefde zijn essentie bereikt in zwaar lijden; het Mysterie van de Kruisdood van Jezus. Lewis benadert lastige vraagstuk van pijn en lijden met de bedoeling er enkele inzichten over te verstrekken, niet om het op te lossen.  Het probleem waar het boek over handelt vat hij als volgt samen:

"If God were good, He would make His creatures perfectly happy, and if He were almighty He would be able to do what he wished.  But the creatures are not happy.  Therefore God lacks either goodness, or power, or both."  

De basis van religie
Het probleem rondom pijn en lijden dus samen met de woorden ‘goed’ en ‘almachtig’. Om dat te benadrukken schetst Lewis een duister beeld van het menselijk leven, waarin overdadig veel ruimte lijkt voor kou, lijden en miserie. Toch lijkt de immense omvang van al het lijden veel mensen niet af te houden van een (al dan niet gespecificeerd) geloof in een goede Schepper. Dat lijkt nogal contradictoire. Waar komt dat geloof en dat verlangen vandaan? Lewis haalt daarvoor vier elementen aan.

Allereerst haalt Lewis een alom aanwezig religieus verlangen met de term ‘expercience of the Numinous’ aan. Dat is een Engelse uitdrukking waarmee de ondefinieerbare aanwezigheid van een Godheid wordt uitgedrukt; het gevoel dat er ‘Iets’ is. Dat gevoel komt duidelijk (maar niet enkel) naar voren in het aangezicht van de dood. Een tweede element dat wordt aangehaald is een algemeen aanwezige moraliteit onder mensen; het gevoel dat sommige dingen ‘horen’ (naastenliefde, zorgen voor elkaar, orde) en andere dingen ‘niet horen’ (verkrachting, martelen, moord). Dit ongeacht de culturele achtergrond van mensen. Daarmee zijn deze twee elementen niet uniek voor het christendom en komen ze in vrijwel alle religieuze stromingen naar voren, ook bij religieuze tradities die niet monistisch zijn. Zie bijvoorbeeld het boeddhisme. Wat monistische religies wél uitzonderlijk maakt is dat zij het meest nadrukkelijk de ‘experience of the Numinous’ koppelen aan het algemeen gedeelde morele besef. God heeft het moraal geschapen en is ook de hoeder van dat moraal, een overtuiging die Joden het allereerste hebben uitgesproken. Overigens is het juist deze overtuiging die veel mensen tegenwoordig niet meer delen. Een God zal wel bestaan (althans: ‘Iets’), maar diegene zal zich toch niet druk maken om mijn doen en laten? Een vierde stap in religieuze beleving die eigenlijk alleen christenen maken is de overtuiging dat de God die wordt ervaren en tevens de hoeder van morele waarden is concreet zichtbaar wordt in een Mens, namelijk Jezus Christus. Die claim is zo groots en veelomvattend dat, sprekende met de woorden van G.K. Chesterton, ook C.S. Lewis stelt dat die Jezus dan óf daadwerkelijk God is óf een volledige gek. Een duidelijke keuze die door christenen in het voordeel van optie 1 wordt beslecht.

Is God Almachtig?
Na deze uiteenzetting over de grond van religie en in het bijzonder het christendom gaat Lewis in op de openstaande vragen hoe een goede en almachtige God lijden kan laten bestaan. Hij begint met de vraag naar de Almacht van God. Wat betekent ‘God Almachtig’ eigenlijk? Kan God doen wat hij wil? Lewis beantwoordt die vraag met ‘ja, met uitzondering van hetgeen intrinsiek onmogelijk is’. Je mag God wel mysteries toeschrijven, maar geen onzin. Wanneer God het ene besluit neemt, kan hij niet meer een besluit dat daar radicaal tegenin gaat óók nemen omdat Hij nu eenmaal ‘almachtig’ is.

Om verder door te dringen in de almacht van God werkt C.S. Lewis in zijn boek een universum uit van geschapen mensen die in vrijheid met elkaar kunnen omgaan. Uit die omgang volgen ook situaties waarin keuzes gemaakt worden, waarbij de ene keuze beter is dan de andere.  Sterker nog: mensen kunnen er in vrijheid ook voor kiezen elkaar grotesk lijden aan te doen. Een Almachtige God kan daarop ingrijpen (wij zouden dat dan duiden als een wonder), maar dat doet God niet voortdurend. Wanneer God immers bij voortduring alle zaken corrigeert wordt de menselijke vrijheid betekenisloos. Zij blijft dan immers altijd zonder gevolg.  Zoals Lewis stelt:
"Try to exclude the possibility of suffering which the order of nature and the existence of free-wills involve, and you will find that you have excluded life itself". 

God geeft dus de vrijheid aan mensen zonder zijn almacht op te geven. Omwille van de menselijke vrijheid wendt hij die echter slechts sporadisch aan om onze keuzes ook inhoud en betekenis te geven. Daarmee lijken het lijden enerzijds en Gods Almacht anderzijds in harmonie met elkaar samen te leven. Maar Gods goedheid is daarmee nog niet behandeld…

Is God goed?
Allereerst is het goed om te benadrukken dat Gods Liefde waarschijnlijk anders is dan die van ons. De beide percepties zijn echter niet zó anders dat ze tegenovergestelde zijn zoals wit en zwart. Eerder is onze ‘goed’ als die van een cirkel zoals voor het eerst door een kind getekend. Gods ‘goed’ is een perfecte cirkel. De twee vormen lijken behoorlijk op elkaar, maar de een is meer perfect dan de ander. Na deze vaststelling vervolgt Lewis zijn betoog door de diepere betekenis van ‘goed’ te doorgronden. Met goed en ook liefde bedoelen wij mensen (zeker in deze tijd!) meestal ‘aardig’. Wij zijn vooral op zoek naar een God die ons enkel gelukkig wil zien. Daarmee zoeken we niet zozeer een ‘God de Vader’ maar een ‘God de Grootvader’, die zittend vanuit een luie stoel zijn (klein)kinderen vooral gelukkig en blij wil zien op de zondagmiddag. Lewis stelt echter dat goed en liefde meer zijn dan aardig. Bij ‘aardig’ gaat het erom dat iemand gelukkig is, los van de vraag of iemand ‘goed’ of ‘slecht’ is. Bij Goddelijke Liefde zijn wij echter objecten van ware liefde. Lewis haalt om dat uit te drukken veel Bijbelcitaten/-verhalen aan. Ook gebruikt hij veel parabels; Gods Liefde is als die van een bouwer voor zijn object, maar dan nóg meer. Of als een mens voor zijn dier, maar dan nóg sterker. En zelfs als die van een moeder voor haar kind, maar dan nóg sterker. Bij iedere vergelijking van Lewis sta je verbaasd over de diepte van Gods Liefde. Dat gaat zo ver dat je soms zou wensen dat de Liefde van God niet zó veelomvattend zou zijn. Zeker niet omdat we ons in ootmoed realiseren dat de mens zondig is. Het probleem van deze tijd, zo stelt Lewis al in 1940, is dat we dát besef van zondigheid allereerst moeten prediken alvorens Gods Liefde als groots te kunnen presenteren. Enigszins droog stelt hij: , "Christianity now has to preach the diagnosis — in itself a very bad news — before it can win the hearing for the cure." Zeker tegenwoordig lijkt alles ondergeschikt te worden gemaakt aan ‘aardigheid’ en ‘individuele vrijheid’. Dat zijn bij uitstek twee begrippen die enig besef van menselijke zwakheid bagatelliseren. Als we maar aardig voor elkaar blijven en bovendien ons niet teveel met elkaar bemoeien, dan zal het toch wel goed zijn? Die houding is in zichzelf een bron van lijden waar God zich richting ons toe moet verhouden. Maar ook dat levert weer een contradictie op. God heeft ons toch zelf geschapen? Heeft Hij ons dan ‘slecht’ geschapen?

Is God goed?
God heeft zijn schepsels als goed geschapen, zo luidt de katholieke doctrine. Door het misbruiken van vrijheid is de zonde echter in de wereld gekomen. Dat staat ook wel bekend als ‘erfzonde’. Die doctrine is volledig vreemd aan de hedendaagse publieke opinie.  Lewis maakt hem toegankelijk door de schepping als een perfecte dans te presenteren, waarbij de dansers soms fouten maken die echter door dezelfde schepper van de dans weer worden gecorrigeerd en zelfs ten goede gekeerd: "The world is a dance in which good, descending from God, is disturbed by evil arising from the creatures, and the resulting conflict is resolved by God's own assumption of the suffering nature which evil produces”.  Daarmee zijn we misschien niet zozeer imperfecte wezens die verbetering behoeven, maar vooral opstandige rebellen die de wapens tegen God moeten neerleggen:” "We are not merely imperfect creatures that need improvement: we are rebels that need lay down their arms". En het opnemen van de wapens, dát zit uiteindelijk in ieder mens en noemen we de erfzonde.

De reden van pijn
We hebben gezien dat pijn inherent is aan een stabiel en betekenisvol universum. God verhoudt zich tot dit universum op een Goede manier, namelijk in totaal respect voor de menselijke vrijheid. Lewis stelt: "In the fallen and partially redeemed universe we may distinguish (1) the simple good descending from God, (2) the simple evil produced by rebellious creatures, and (3) the exploitation of that evil by God for His redemptive purpose, which produces (4) the complex good to which accepted suffering and repented sin contribute.  […] A merciful man aims at his neighbour's good as so does 'God's' will, consciously co-operating with 'the simple good'. Gods wil doen is het beste wat een mens kan doen; zich overgeven aan zijn Schepper. Helaas gebeurt dat niet altijd. Vanuit die optiek is pijn, op het laagste niveau gemeten, een manier om de illusie te doen verdwijnen dat alles goed is. Pijn is "the flag of truth within the fortress of a rebel soul".  Zonde en stommigheden kunnen eeuwig worden ontlopen, maar pijn is niet te negeren. Op een iets hoger niveau fungeert pijn ook als middel om onze eigengerichtheid te doorbreken. In pijn en lijden wordt duidelijk dat we als mensen op elkaar zijn aangewezen en niet zonder de kracht en steun van de ander kunnen. Op het allerhoogste niveau veroorzaakt pijn een volledig op God vertrouwen en handelen op basis van bovennatuurlijke gronden.  Zodoende is de functie van pijn binnen het aardse systeem om de overgave van de mens aan Gods wil makkelijker te maken. Dat is echter géén rechtvaardiging voor pijn, zo verduidelijkt Lewis: : "Pain hurts.  That is what the word means.  I am only trying to show that the old Christian doctrine of being made perfect through suffering is not incredible.  To prove it palatable is beyond my design." Immers; pijn kan ook lijden tot verwijdering van God. 

Hemel en Hel
In zijn uiteenzetting over lijden eindigt Lewis met een korte behandeling van Hemel en hel. Voor hem is de hel een realiteit, maar niet op de manier zoals die in veel met name middeleeuwse afbeeldingen wordt verbeeld. De hel is geen omgeving waar mensen pijn lijden in onblusbaar vuur en waar een duivel ons achtervolgt met een harpoen. Eerder is de hel het niet bereiken van de uiteindelijke eindbestemming van ieder mens, namelijk de Hemel als volheid met God. Dat levensdoel uiteindelijk niet bereiken, door zonde en verwijdering van Gods bedoeling, is meer tergend dan de ergste verbeelding van de hel. Dat de hel bestaat is vanuit een scheppingsoogpunt logisch. God is liefde en reikt zich met al Zijn Goddelijkheid naar ons uit. Maar de vrije wil als gegeven aan de mens kan de mens in omgekeerde richting van Gods goedheid sturen. Zonder de hel als verbeelding van het ‘missen van de eindbestemming’ wordt de vrije keus een farce. Wanneer iedereen in de hemel komt is er geen goed en kwaad meer. Scherper gesteld: wanneer zowel Hitler als Moeder Theresa in de hemel arriveren, dan is dat moreel relativisme ten top. Toch doet het bestaan van de hel niets af van het feit dat we uiteindelijk voorbestemd zijn om in de Hemel te komen. "God will look to every soul like its first love because He is its first love". En ieder menselijke ziel is uniek: "Your place in heaven will seem to be made for you alone, because you were made for it." 

Theorie, geen praktijk
C.S. Lewis eindigt zijn boek uit 1940 met een eerlijke bekentenis die iedereen die theoretisch over pijn schrijft verschuldigd is, namelijk dat pijn ervaren iets anders is dan er over schrijven. Lewis bekent waarschijnlijk een grote lafaard te zijn in het ervaren van pijn. In 1961 (ruim 20 jaar na dit werk) schrijft hij het werk A Grief Observed. Dit werk gaat over zijn grote verdriet na het overlijden van zijn vrouw. Hij erkent in dat werk dat ook zijn geloof op de proef is gesteld door het lijden van zijn vrouw. Ook Lewis wilde in die tijd God belasteren, zijn bestaan betwijfelen en zelfs aan Zijn goedheid twijfelen. De verstandelijke argumenten waarom pijn moet bestaan worden voor een aangetast lichaam en ziel irrelevant. Toch kwam het verstand langzaam weer terug: "Why do I make room in my mind for such filth and nonsense? Do I hope that if feeling disguises itself as thought I shall feel less?" Met die praktische ervaring van Lewis wordt eens te meer duidelijk dat pijn een probleem is en blijft. Het is zelfs een mysterie dat we nooit zullen doorgronden. Toch, vanuit christelijk perspectief, kunnen we pijn niet los zien van het Heilsmysterie aan het kruis. We mogen over het lijden heen kijken en hopen op een uiteindelijke vervulling van onszelf in God in de Hemel.        

dinsdag 17 december 2013

De ontdekking van de Drie-eenheid

Voor de meeste mensen zal een bezoek van Jehova’s Getuigen tot de periodieke ergernissen van het leven behoren. Mij heeft het pasgeleden echter aan het denken gezet. Dat komt doordat Jehova’s een van de weinige christelijke denominaties zijn die de Drie-eenheid van God ontkennen. Want, zo stellen zij nogal eenvoudig, hoe kan God nu meer dan één zijn als je gelooft dat er maar één God is? Een interessante denkexercitie ging daarmee van start.

Logische uiteenzetting

In het Nieuwe Testament wordt Jezus gepresenteerd als de Zoon van God. Hij onderscheidt zichzelf daarmee nadrukkelijk van God de Vader. Bovendien belooft hij richting zijn afscheid dat hij de Heilige Geest naar zijn Apostelen zal zenden, waarmee een derde Goddelijke persoon wordt geïntroduceerd. Daarmee worden christenen in een lastige positie geplaatst. Er is immers maar één God, zo staat in de Tien Geboden. Maar die Ene God moet op een of andere manier wel Drie zijn: Vader, Zoon & Heilige Geest. Een lastige situatie die absoluut om verdieping vraagt.

Wanneer we stellen dat God Drie is, dan kan dat niet betekenen dat er ook drie goden zijn. God is dus de Ene, ongedeelde God die een Drie-eenheid is. Om deze paradox te verklaren maakten de klassieke Kerkvaders een onderscheid tussen natuur en persoon. God heeft niet drie individuele naturen of substanties, maar drie Personen. Een goddelijke natuur, zo kwamen ze overeen, kan niet verdeeld zijn. Het kan echter wel in verbinding met zichzelf staan in meer dan één manier. Wat is onthuld met de Incarnatie is het bestaan van God in drie ‘gelijktijdige relaties’, de drie Goddelijke Personen.

Het verschil in Goddelijke Personen wordt geïllustreerd in de uitspraak van Johannes: ‘God is liefde’ (1 Joh. 4:8). Liefde gaan over geven en nemen, het betreft een relatie tussen personen. En omdat God perfect is ‘in zichzelf’ heeft hij die liefde daarmee ook ‘in zichzelf’. De Vader is de gever van de Zoon: zijn Natuur is in bezit van de Zoon als Ontvanger van de Vader. Vader en Zoon bestaan enkel in relatie tot elkaar als eeuwige origine van de actus purus. Het is de Goddelijke Vader die zijn eigen Natuur in zijn geheel overdraagt aan de Zoon. Hij houdt daarbij niets terug. Daarbij ‘scheidt’ hij zichzelf niet van zijn natuur omdat hij juist Zichzelf overdraagt. Daarmee is hij een Gever en Ontvanger. Maar er is in deze handeling een derde vrucht aanwezig. Wanneer gegeven wordt, is er ook een Gift. Dat is de Heilige Geest, gelijk in Persoon en even Goddelijk. In de encycliek Dominimum et Vivificantem schrijft Johannes-Paulus II daarover:

In zijn innerlijke leven “is” God “liefde” , wezenlijke liefde die de drie goddelijke Personen gemeen hebben; de Heilige Geest is persoonlijke liefde, als Geest van de Vader en de Zoon. Daarom “doorgrondt Hij de diepste geheimen van God” , als ongeschapen Liefde-gave.

De Geest is de vrucht van Liefde van de Vader en de Zoon, van hun zichtbare en oneindige openheid en liefde. Hij is de Goddelijke Natuur van het Gegevenen en Ontvangenen. De Heilige Geest is van de Vader, maar ook van de Zoon. De dualistische confrontatie tussen het Zelf en de Ander is in God overkomen door de aanwezigheid van de Heilige Geest, de derde relatie in de handeling van kennen en liefhebben. Daarmee is de Drie-eenheid het hemels model van liefde in zijn eigenlijke bron.

Liefde als basis

Op het eerste gezicht is de leer van de Triniteit niet echt een inspirerend verhaal, zélfs als het de wetten van de logica niet tegenspreekt. Dat komt wellicht doordat het ‘probleem’ van de Drie-ene God een ietwat 'kunstmatig' 'probleem' is dat ontstaat doordat we ons op een theologische afstand hebben geplaatst om de ondoorgrondelijke mystiek van de Triniteit van God te benaderen. In de realiteit van het geloofsleven worden we hier echter niet echt mee geconfronteerd, althans niet op deze complexe manier. We worden in onze beleving niet geconfronteerd met drie Personen, maar staan ‘face to face’ met de Vader door de Zoon in de Heilige Geest. Doordat God mens is geworden kunnen we in een persoonlijke relatie met God treden omdat hij via Jezus van aangezicht tot aangezicht met ons in contact is getreden. Door deze relatie raken we vervuld, ontvangen we de Heilige Geest als rijke vrucht. De relatie die we met Jezus mogen hebben gaat daarmee over de dood heen verder omdat ze gegrond is in de eeuwigheid. Liefde is daarmee het kernelement van het christelijke wereldbeeld. Relaties met God en met andere mensen zijn geen toevalligheid maar vormen het fundament van ons bestaan. Ze geven ons een reden voor bestaan, een missie in deze wereld. Intrigerend aan relaties is dat ze altijd een vrije keuze zijn. Liefde en relaties kunnen immers niet zonder de volledige menselijke vrijheid om jezelf in vrijheid van harte aan de ander te geven. En ook om deze liefde waarlijk te kunnen ontvangen is een ontvangst in vrijheid nodig. Jezus geeft ons daarbij het meest tastbare voorbeeld en vraagt ons blijvend voor Zijn én andermans liefde open te staan. De integrale menselijke vervulling van deze ultieme liefde ligt niet enkel op een natuurlijk niveau, maar ook in het bovennatuurlijke leven van de Drie Eenheid. 

zondag 24 november 2013

Christus Koning als profeet

Vandaag eindigt voor de Katholieke Kerk het kerkelijke jaar met het Hoogfeest van Christus Koning. Sinds de pauselijke encycliek Quas Primas (1925) van paus Pius XI wordt dit hoogfeest gevierd om te erkennen dat voor christenen Jezus uiteindelijk de Koning van alles is, de Alpha en Omega. Dat beeld van Jezus als Zoon van God en Koning van de Wereld heeft moeten rijpen. Daarom in deze blog een korte beschouwing hoe Christus Koning voor de mensen ooit begon als profeet.

In de tijd waarin Jezus met zijn publieke optreden begon was het ‘ambt’ van profeet vanuit de geschiedenis van het Joodse volk algemeen bekend. Een profeet was iemand met de Geest van God die fungeerde als diens ‘spreekbuis’. Logisch dat het optreden van Jezus door de mensen in eerste instantie werd geïnterpreteerd in vertrouwde historische begrippen. Daarom werd Jezus al zeer snel gezien als profeet. Op de vraag van Jezus wie de mensen zeggen dat Hij is wordt door de leerlingen geantwoord vanuit het bekende begrippenkader: Johannes de Doper, Elia en weer andere zeggen dat een van de oude profeten is opgestaan (Lc.9,18-21). Dezelfde antwoorden komen ook voor in Mc.6,14-15. En zelfs in het Evangelie volgens Johannes, een evangelie dat is overgeschilderd door een duidelijke christologie, wordt verwezen naar het profeetschap van Jezus: ‘dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen’ (Joh.6,14). Ondanks dat Jezus zich nooit daadwerkelijk met een eschatologische (eindtijdelijke) profeet identificeert, interpreteert Hij zijn zending en gedrag wel in termen gelijk aan die van de eindtijdelijke profetieën uit het Oude Testament. Dat komt onder andere duidelijk naar voren in Lc.,49-52, waarin Jezus spreekt over profeten die ten dood werden gebracht door het volk. Vanuit dit vertrouwde begrippenkader en in verwijzing naar de aankondiging door de profeten van een Man Gods ontstaat langzaam maar zeker het begrip dat Jezus niet de zoveelste profeet is, maar de vervulling van hetgeen de profeten hebben gezegd. Dat begint in de reeds aangehaalde Bijbelpassage waarin Jezus zijn leerlingen vraagt wie de mensen zeggen dat Hij is, om vervolgens meer concreet de vraag te stellen wie zij zeggen dat Hij is. ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’. Hierop antwoord Petrus met de woorden: ‘U bent de Messias van God’ (Lc.9,18-21). Daarmee wordt Jezus méér dan een profeet.

De uitwerking dat Jezus niet ‘zomaar’ een profeet is maar de vervulling van een grootse belofte gebeurt voornamelijk in het Evangelie van Johannes doordat de opbouw van het Evangelie sterke overeenkomsten heeft met het boek Exodus, waar het verhaal van Mozes wordt verteld. In het Evangelie van Johannes wordt Jezus namelijk voortdurend als antwoord op de door Mozes aangehaalde zaken gegeven. Zo vraagt Mozes ‘Laat mij Uw heerlijkheid zien’ (Ex.33,18), waarop Johannes stelt: ‘Wij hebben Zijn (Jezus) Glorie aanschouwd’ (Joh.1,14). Vervolgens wordt in Exodus gemeld: ‘Niemand heeft God ooit gezien of hij sterft’ (Ex.33,20). Johannes laat Jezus echter als de Zoon van God optreden wanneer wordt gesteld: ‘Niemand heeft God ooit gezien, maar de Eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft hem doen kennen’ (Joh.1,18). Verder stelt Johannes in verwijzing naar Exodus en de stenen tafelen met de wet dat de Wet weliswaar door Mozes werd gegeven, maar dat de genade en de waarheid afkomstig zijn van Jezus Christus. Jezus is dus méér dan Mozes. Opvallend is overigens hoe systematisch Johannes de vergelijking Mozes-Jezus, soms uiterst subtiel, in zijn Evangelie verwerkt. Zo wordt Jezus gelijk Mozes geroepen (vergelijk Ex.3 met Joh.1,29-24). Ook de wondermacht van Mozes waardoor de Nijl rood wordt van het bloed lijkt op het Kana-wonder dat Jezus verricht (zie Joh.2,1-11, waarbij het opvallend is dat Johannes het enige Evangelie is dat van het Kana-wonder melding maakt!). Mozes viert het allereerste pascha-feest (Ex.11-12), Jezus gaat naar Jeruzalem voor het definitieve paasfeest en verricht een tempelreiniging (Joh.2,13-16). En terwijl Mozes met het volk door de Rode Zee trekt (Ex.14) spreekt Jezus in Joh.3,1-5 met Nicodemus over de noodzakelijkheid ‘geboren te worden uit water en geest’. Toen het volk ‘geen brood en water’ meer had en bovendien geplaagd werd door giftige slangen maakte Mozes een bronzen slang, verhief ze en zette die op een paal, en iedereen die door een slang was gebeten maar naar de bronzen slang opkeek, bleef in leven (Num. 21,4-9). In verwijzing hiernaar stelt Johannes: ‘En deze mensenzoon moet omhooggeheven worden, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn’ (Joh. 3,14). Na de overtocht door de Rode Zee ontdekken Mozes en het godsvolk een waterbron (Ex. 15,22-25): in Joh. 4 horen we dan bij de ‘bron van levend water’ Jezus' gesprek met een samaritaanse vrouw. In Ex. 16 is er sprake van het manna-wonder: in Joh. 6 de wonderbare broodvermenigvuldiging en tevens Jezus' gesprek over het hemelse manna. In Joh. 10 en 11 zijn bovendien allerlei allusies te vinden op Mozes' opvolger Josuë, die het Godsvolk inderdaad in het beloofde land voerde. Vervolgens wordt Jezus nogmaals neergezet als de daadwerkelijke vervulling van Mozes omdat het Jezus is die het volk metterdaad het daadwerkelijke beloofde land binnenleidt ‘in de schoot van de Vader’ (Joh. 1,18), het rijk Gods. 

Het is treffend dat Johannes zijn Evangelie zo systematisch structureert langs de lijnen van Exodus en de gebeurtenissen rondom Mozes. Dat past bij het karakter van het Evangelie volgens Johannes. Waar de synoptische evangeliën meer historiserend en verhalend zijn, biedt Johannes een meer theologisch en christologische structuur. Daarin zijn de geboden historische feiten ingekaderd binnen een overstijgend interpreteren. Zo ook met de titel van profeet. Het feit dat Jezus en zijn omgeving Hem profetisch verstaan wordt nadrukkelijk erkend. Dat was immers de interpretatie van het zich ontwikkelende optreden van Jezus. Achteraf is aan dat optreden, wanneer het ‘traject’ is voltooid (met het lijden én zijn Verrijzenis als wetenschap), een hogere waardering gegeven en zijn de hoogheidstitels zoals in het Credo aanwezig en met Christus Koning gevierd toegevoegd. Om dát te verwoorden maakte Johannes nadrukkelijk gebruik van het raamwerk van de profeet Mozes uit het verhaal Exodus om over de vervulling daarvan in Jezus Christus als Zoon van God te verhalen. Zo ontwikkelde de aanvankelijke ‘profeet’ zich tot wat hij is: Christus Koning!

Noot 1: Veel van bovenstaande analyse is gebaseerd op de werken van de dominicaan Edward Schillebeeckx. Zijn hoofdwerk, Jezus, het verhaal van een levende is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) te downloaden via deze link. De bovenstaande tekst is gebaseerd op de pagina's 388-392 van dit werk.

zondag 10 november 2013

Duistere nacht

In de maanden oktober en november werken de herfstachtige weersomstandigheden veel mensen op de zenuwen. Waar september nog tekenen van nazomeren vertoond en december alweer erg gezellig is, zo zijn de twee maanden daartussen somber. We staan vaker stil bij negatieve zaken. Twijfels over allerlei zaken komen in alle heftigheid op en we realiseren ons net iets vaker de duisternis om ons heen. Dat alles wordt voor katholieken nog eens versterkt doordat op 2 november Allerzielen wordt gevierd, een dag waarop alle overleden worden herdacht met bijbehorende emoties. 

Duisternis. Duisternis is een woord dat in het Evangelie op een cruciaal moment wordt gebruikt, namelijk wanneer het overlijden van Jezus nabij is. ‘Het was omtrent het zesde uur. Er viel een duisternis over heel de streek, tot aan het negende uur toe doordat de zon geen licht meer gaf’ (Luc.23:44-46). Ook in ons eigen leven ervaren we deze momenten van duisternis. Duisternis in tijden van ramp en tegenspoed. Duisternis wanneer ziekte en dood om zich heen grijpt. Duisternis wanneer we ons verlaten voelen, geen uitweg meer zien en twijfel de enige constante is. 

Ieder mens maakt in zijn leven donkere nachten mee. Nachten die lang duren, waarin twijfels opspelen, wanhoop zich soms meester van ons maakt en waarin niets meer lijkt zoals het was. Het liefste willen we vluchten voor die duisternis, ervoor weglopen. We verliezen onszelf dan in overmatig werken of andere vormen van afleiding. Tactieken die ons misschien even hoop bieden, maar die altijd onverbiddelijk worden ingehaald door de donkere nacht. Want die donkere nacht komt, we kunnen er helaas niet voor vluchten. We moeten erdoorheen.

Maar hoe lang duurt die donkere nacht? Ook hier horen we het Evangelie een antwoord geven. Want er staat dat de duisternis duurde tot aan het negende uur toe. Drie uur lang duurde de doodsstrijd van Jezus op het kruis en is de aarde donker. Vervolgens ligt Jezus drie dagen lang in het graf. Hij die nota bene zelf het Licht is; ook hij moest door de donkere nacht van een zwaar lijden omdat hij zich met het menszijn had verenigd. Ook hij kon daarom niet vluchten voor donkere passages, voor twijfel, pijn en sterven.

Deze blog klinkt misschien erg droevig en zwaar. Want is er dan geen hoop? Is er dan geen einde aan pijn, lijden en duisternis? Jawel, alleen werkt het niet zo als in de meeste films. Het gaat niet altijd van goed, naar wat minder naar weer geweldig goed (‘happy end’, ‘ze leefde nog lang en gelukkig’). Door geloof, liefde en trouw moeten we de duisternis overwinnen, moet het lijden worden gedragen. Een ziekte, plotsklaps overlijden of andere vormen van tegenslag moeten met geduld en in vertrouwen worden gedragen. Wie dat probeert, om te leven zoals Jezus ondanks alle tegenslagen, die heeft in zijn hart een bron van licht die uiteindelijk de donkere nacht zal overwinnen. Niet makkelijk en snel, maar in een stevige duurloop die veel van ons vraagt. Die ook véél moeilijker is dan het hier nu lijkt. Maar waarvan de finish uiteindelijk geluk zal zijn.

Misschien past dergelijke zwaarmoedigheid niet in deze tijd waarin geluk en vreugde zo dominant zijn en soms een beetje als een recht worden gezien. Maar iedereen realiseert zich dat het niet altijd fijn kan gaan in ons leven. Dat mooie periodes worden afgesloten en als opvolger duisternis kennen. Maar dat ook die duisternis weer zal verdwijnen voor nieuwe momenten van geluk. Want zoals in het boek Prediker in hoofdstuk drie staat: ‘Alles heeft zijn tijd’

Alles heeft zijn tijd

Voor alles wat gebeurt is er een uur,
een tijd voor alles wat er is onder de hemel. 
2 Er is een tijd om te baren
en een tijd om te sterven,
een tijd om te planten
en een tijd om te rooien. 
3 Er is een tijd om te doden
en een tijd om te helen,
een tijd om af te breken
en een tijd om op te bouwen. 
4 Er is een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen,
een tijd om te rouwen
en een tijd om te dansen. 
5 Er is een tijd om te ontvlammen
en een tijd om te verkillen,
een tijd om te omhelzen
en een tijd om af te weren. 
6 Er is een tijd om te zoeken
en een tijd om te verliezen,
een tijd om te bewaren
en een tijd om weg te gooien. 
7 Er is een tijd om te scheuren
en een tijd om te herstellen,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken. 
8 Er is een tijd om lief te hebben
en een tijd om te haten.
Er is een tijd voor oorlog
en er is een tijd voor vrede.

Of zoals The Byrds het in december 1965 al zongen, gebaseerd op deze tekst uit Prediker: Turn, Turn Turn!


zondag 20 oktober 2013

Gestraft om vergeten tekst?

Het klinkt in eerste instantie wat onbegrijpelijk. Dikgedrukte koppen bij onder andere de NOS omdat een pater uit een parochie tijdens de Mis wat zinnen was vergeten uit te spreken en daar nu door kardinaal Eijk voor wordt gestraft. Op basis van het NOS-artikel ontstonden, ongetwijfeld gestimuleerd door de toch al zwakke reputatie van de slecht communicerende kardinaal, de meest wilde verhalen. In deze blog probeer ik een en ander in perspectief te plaatsen en de zaak als buitenstaander zo objectief mogelijk te beschouwen, zonder daarbij een uitspraak te doen wie van de partijen nu eigenlijk gelijk heeft.

De eucharistie
Om een en ander te begrijpen is allereerst enige basiskennis van het katholicisme vereist. Te beginnen bij de Eucharistie. Voor katholieken is dat het hoogtepunt van het gelovige leven. Tijdens de Eucharistie wordt geluisterd naar Gods woord aan de mensen via de Schrift, maar bovenal wordt het laatste Avondmaal herdacht. Tijdens dit laatste Avondmaal gaf Jezus zichzelf aan zijn leerlingen in de tekenen van Brood en Wijn. Voor de katholieke kerk geldt dat zij geloofd dat iedere keer wanneer een gewijde bedienaar (de priester) de Eucharistie viert Jezus daadwerkelijk aanwezig wordt gesteld in deze tekenen; ze zijn dan niet meer enkel brood en wijn, maar Jezus is er zélf in aanwezig. Dat noemt men 'transsubstantiatie'. Voor de katholieke kerk geldt de transsubstantiatie als een geloofswaarheid. Wanneer wordt geloofd in de transsubstantiatie, dan is dat natuurlijk een gewichtige aangelegenheid. Jezus en daarmee dus ook God komen dan iedere keer opnieuw tot de mens. Juist vanwege dit grote belang is enige uniformiteit gewenst. Anders dreigt dit bijzondere gebeuren al snel te ontsporen in wellicht ongepaste handelingen. Daarom hecht het Vaticaan eraan de Mis uniform te houden. Om dat te bereiken is een zogenaamd Romeinse missaal opgesteld met daarin de opbouw van een geldige Mis en de standaardteksten die daarin dienen te worden uitgesproken. In aanvulling daarop is in 2005 de Pauselijke richtlijn Redemptionis Sacramentum uitgevaardigd. In deze zeer uitvoerige richtlijn wordt geschreven over de juiste Misopbouw, de verantwoordelijkheid van priesters en bisschoppen deze te handhaven en welke zaken binnen de Misopbouw niet zijn toegestaan. Ook worden bisschoppen opgeroepen hier strikt op toe te zien om de Heiligheid van de Eucharistie te waarborgen. Tenslotte is een relevant document om de zaak goed te begrijpen het Canoniek Recht. Dit is het wetboek van de Kerk met daarin opgenomen alle overtredingen, bijbehorende disciplinaire straffen en beroepsmogelijkheden.

Liturgische experimenten
Gezien deze uitvoerige documentatie en bijbehorende richtlijnen is er relatief weinig variatie mogelijk in de Eucharistieviering. Dat is in Nederland regelmatig punt van onenigheid geweest. Met name vanaf de jaren zestig is er een sterke experimenteerdrang met betrekking tot de liturgie ontstaan. Zo worden niet zelden zelfgemaakte teksten aan de Mis toegevoegd, naar eigen inzicht Bijbellezingen uitgekozen en ook andere zaken die volgens het Romeins missaal, de uitgevaardigde instructie en het canoniek recht niet toelaatbaar zijn toegepast. Met name  bisschoppen die in de media het predicaat 'conservatief'  hebben ontvangen zijn tegen deze ontwikkeling opgetreden. Daar hoort zonder twijfel ook kardinaal Eijk bij. Als een typische loyalist aan het Roomse gezag handhaaft hij strikt en ordentelijk de gestelde eisen zoals dat ook van een bisschop wordt gevraagd. Zo heeft de kardinaal naar aanleiding van eerdere geconstateerde misstanden in het aartsbisdom een brief geschreven aan alle in zijn aartsbisdom werkzame priesters. Daarin wordt opgeroepen zich aan de richtlijnen te houden en wordt tevens aangekondigd dat bij toekomstige misstanden niet zal worden geschuwd stevig op te treden. Zélfs het intrekken van de zending (dat wil zeggen, de door de aartsbisschop aan een priester toegewezen taken) behoort tot de mogelijkheden.

De zaak Huis in 't Veld
Dan nu de zaak van pater Huis in 't Veld O.P. Daarbij is het allereerst relevant te vermelden dat pater Huis in 't Veld lid is van de Orde der Dominicanen. Dat betekent dat hij volgens het kerkrecht niet onder de verantwoordelijkheid van kardinaal Eijk valt maar onder die van de overste van de Orde der Dominicanen. Alleen wanneer werkzaamheden worden verricht in het aartsbisdom valt hij voor die betreffende werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van de kardinaal. Om die werkzaamheden te mogen verrichten ontvangt hij een 'zending' van de kardinaal. De zending die de pater van kardinaal Eijk heeft ontvangen betreft het assisteren in de parochie Sint Jan de Doper. Tijdens de Mis van Witte Donderdag in die betreffende parochie heeft de pater duidelijk de gestelde liturgische regels overtreden. Dat blijkt ook uit het gebruikte Misboekje. Essentiële onderdelen zijn weggelaten, zélfs de woorden die uitgesproken dienen te worden om een geldige Transsubstantiatie te 'bewerkstelligen'. Hierover hebben parochianen bij de pastoor geklaagd. De pastoor van de parochie is immers de eerste verantwoordelijke voor assistent-priesters. Pastoor Griffioen heeft na klachten besloten de zaak niet op te blazen en via stille diplomatie met het aartsbisdom zaken te regelen.

Omdat kardinaal Eijk zoals gemeld niet de volledige zeggenschap heeft over een Dominicaner-pater zijn de mogelijkheden tot het opleggen van een straf ietwat beperkt. De allerhoogste straffen uit het Canoniek recht kunnen alleen door de overste van de Dominicanen worden opgelegd. Uiteindelijk is na hoor en wederhoor door kardinaal Eijk besloten een zogenaamde uitboetingsstraf op te leggen zoals staat beschreven in het Canoniek Recht. Gezien de zending die hij heeft gegeven is de kardinaal tot het opleggen van die straf gerechtigd. De straf die de kardinaal oplegt is tweeledig. Enerzijds wordt de zending ingetrokken. Op de tweede plaats wordt het de pater verboden om het komende jaar de Eucharistie te vieren in de parochie waar de liturgische overtreding heeft plaatsgevonden. Andere Sacramenten zoals de Biecht en Doop mogen nog wel worden bediend, maar de Eucharistie dus niet. Hierover zijn diverse parochianen en het kerkbestuur van de betreffende parochie ontstemd. Zij noemen de staf te hoog. Ook de Orde der Dominicanen heeft laten weten de opgelegde straf door de kardinaal te hoog te vinden. Bij mondde van de overste wordt gesteld dat deze had gehoopt dat de zaak in meer broederlijke overeenstemming zou zijn opgelost.Zowel kerkbestuur als de Dominicanen keren zich dus tegen de beslissing van de kardinaal.

Terecht?
Juridisch lijkt de kardinaal in zijn recht te staan. Richtlijnen en voorschriften zijn aantoonbaar overtreden en de kardinaal had via een brief reeds aangekondigd hard op te treden tegen toekomstige liturgische overtredingen. Saillant detail is ook nog eens dat de overtreding heeft plaatsgevonden tijdens de Eucharistieviering van Witte Donderdag, nota bene de dag waarop de Kerk de instelling van zowel het Avondmaal als het priesterschap viert. Alle destijds aanwezige parochianen bij deze belangrijke viering hebben volgens de richtlijnen een ongeldige Eucharistie gevierd. Dat brengt de Waardigheid van deze voor de katholieke kerk zo belangrijke viering in gevaar. Vanuit die optiek, ook gelet op de verantwoordelijkheid van de kardinaal om tucht te houden in zijn aartsbisdom, is de straf te verklaren. Dat het kerkbestuur en de Dominicanen de straf overdreven vinden is vanuit hun optiek logisch. Zij zijn emotioneel betrokken bij pater Huis in 't Veld en waarderen hem. Zij kiezen dus niet voor een strikt juridische maar meer voor een pastorale benadering. Dat siert hen.
Het is voor een buitenstaander en iemand die geen expertise heeft in het canoniek recht lastig een oordeel te vellen over deze kwestie. Enerzijds kan hard optreden worden gerechtvaardigd, anderzijds is de roep om een meer pastorale oplossing waarbij vermaand en minnelijk geschikt was begrijpelijk. Bovendien kan over de strafmaat nog gediscussieerd worden, zeker omdat de pater op geen volwaardige manier meer kan participeren in de parochie waar hij reeds vanaf 2009 actief is.